Article index
Latest articles
Issue #015 Published: 01-12-2017 // Written by: Julie Dassaud & Tim Sprangers
Instruments make play
INSTRUMENTS MAKE PLAY is een in februari 2017 gestarte expeditie met zelfgecreëerde instrumenten als uitgangspunt. Lukas Simonis (Klangendum), Harco Rutgers (De Perifeer) en Julie Dassaud (Kulter) willen met dit bijzondere project de grote potentie van zelfgecreëerde instrumenten benadrukken en de bekendheid van de makers uitbreiden. Van 1 tot en met 10 december 2017 wordt in Rotterdam, Amsterdam en Deventer het eerste INSTRUMENTS MAKE PLAY Festival gehouden, met exposities, een beurs, een driedaagse workshop, ontmoetingen en uiteraard concerten, waaronder een feestelijke avond in De Ruimte (Amsterdam-Noord) op 3 december.  De Ruimte is de plek waar de samenwerking tussen de drie organisatoren is ontstaan. Na een memorabele, aan zelfbouwelektronica en muzikale bouwwerken toegewijde middag, ontstond het idee van een platform-in-combinatie-met-festival in drie steden. De organisatoren proberen zoveel mogelijk eigenwijze muzikanten te verzamelen, die zich niet laten leiden door het bestaande aanbod aan instrumenten, of die in alle vindingrijkheid zelf hun elektronica samenstellen omdat het bijvoorbeeld financieel aantrekkelijker is. Collecties te bewonderen in SoundLAB en STEIM De zelfbouwelektronica heeft een niet-spectaculair imago en niet altijd vallen de instrumenten en/of hun bespelers op. Een muzikaal bouwwerk wordt snel als kunst gerangschikt en met rust gelaten als kijkobject. Maar tegelijkertijd genereert deze scene een uitermate gevarieerd publiek van belangstellenden met een brede interesse in de unieke, geniale, bizarre, absurde, poëtische, speelse of ook hilarische objecten. Ook op het gebied van geluid en performance kunnen concerten intens intrigeren. Regelmatig betreden « Rare and Strange Instruments » (een referentie aan het gedachtegoed van Nicolas Bras/Musiques de Nulle Part en zijn 500.000+ volgers) culturele vrijplaatsen als Zaal 100, OCCII of Dokzaal. Vorig jaar bracht Samuel Vriezen « The Machine » van Remco Scha weer tot leven in de Vondelbunker. Denk aan een aangestuurde automaat van samenspelende gitaren. Van musique concrète tot Apollohuis bestaat er een rijke traditie aan zelfbouwmuziekinstrumenten, van ambachtelijke constructies van museale omvang, een gesamtkunstwerk van knutselfrutseltjes tot ensembles van DIY synthesizers. In Amsterdam worden twee verzamelingen van fraaie en speelse invented instruments onderhouden. Beide collecties zijn voor publiek toegankelijk tijdens het Festival: SoundLAB op 3 december van 14:00 tot 17:00 en STEIM op 7 december van 19:30 tot 23:00. Expo, Beurs, Feest Meer nog dan de instrumenten zelf, is INSTRUMENTS MAKE PLAY een festival waarin makers en bespelers van zelfgebouwde en uitgevonden instrumenten centraal staan. Het eerste weekend brengt het festival de makers en het publiek samen rond verschillende thema’s en events die de diversiteit van het aanbod en de visie laten zien: een tentoonstelling in Deventer, een beurs in Rotterdam, een ontmoeting met makers en een speelse avond in Amsterdam waarvoor alle deelnemers zijn uitgenodigd. Het tweede weekend bestaat uit drie performanceavonden waarin speciale gasten naast lokale artiesten optreden. De start is in Amsterdam op een vroege donderdagavond, 7 december, in STEIM en de performances worden vervolgd op 8 december in Deventer en 10 december in Rotterdam. Uit het buitenland zijn o.a. te gast.: Grauton (Karen Geyer), Nataliya Petkova en Stephanie Castonguay (StudioXX Montreal), Tapetronic (Alexis Malbert) en Eli Gras. Vanzelfsprekend verwelkomt het festival ook de instrumentenmakers (en hun instrumenten) die veelvuldig in Nederland optreden, zoals Yuri Landman, Pierre Bastien, Peter Zegveld, Toktek, Slumberland en Dianne Verdonk. Zij zullen uitgebreid te zien en te horen zijn, net als de site specific installaties van OHM (Geert Jan Hobijn, Radboud Mens en Gijs Gieskes). Het aantal aanwezige makers reikt tot boven de veertig en is nog steeds groeiende. Benieuwd naar de laatste update? Kijk dan ook vooral naar de laatste artiesten- en programma-updates op de website. www.instrumentsmakeplay.nl Tickets (€10/€5/€0) & Passe-partouts (€25) Tickets (€50) Deelname aan de driedaagse workshop Electricity Matters « build & play your own synth » 29 nov-30 nov-1 dec door Nataliya Petkova, feministisch collectief StudioXX Montreal (inclusief al het materiaal): www.instrumentsmakeplay.nl 1 december DEVENTER 17:00 expo met optredens in Kunstenlab/De Perifeer 2 december ROTTERDAM 14:00-20:00 beurs met showcases in Worm 3 december AMSTERDAM 14:00-17:00 ontmoeting met makers in SoundLAB, 18:00-22:00 feestelijke speelse avond in De Ruimte 7 december AMSTERDAM 19:30 performanceavond in STEIM 8 december DEVENTER 19:30 performanceavond in Kunstenlab/De Perifeer 10 december ROTTERDAM 19:30 performanceavond in Worm   ENGLISH Summary: INSTRUMENTS MAKE PLAY is a platform for musical instruments inventors and players of unconventional instruments who typically embody a do-it-yourself and play-it-together attitude. This community encompasses a very diverse crowd, delivering unique ingenious bizarre absurd poetic playful hilarious musical objects as well as sound-wise and stage-wise intriguing performances. Not to mention the rich DIY noise/circuit-bending and build-your-own-modular-synth adepts. And, moreover, a peaceful movement of activists creating collaborative performances with electronic trash and obsolete technology waste as a statement. The INSTRUMENTS MAKE PLAY Festival takes place from 1 till 10 December 2017 in Rotterdam (Worm), Amsterdam (De Ruimte, STEIM, SoundLAB) and Deventer (Exhibition & Performances in De Perifeer, Kunstenlab). It gathers more than 40 builders, inventors and performers, among which Karen Geyer, Yuri Landman, Stephanie Castonguay, Peter Zegveld, Nataliya Petkova, Pierre Bastien, Jasna Velickovic, Mario van Horrik, Dianne Verdonk, Toktek, Tapetronic, Eli Gras, Jochem van Tol, Jonathan Reus, Anna Mikhailova, Karel van der Eijk, Jan Schellink, KMEX, Paul Tas, Joker Nies, Rob Hordijk, Optical machines. Tickets (€10/€5/€0) & Passe-partouts (€25) Tickets (€50) & Registration for the 3 day workshop Electricity Matters, 29 nov-30nov-1 dec « build & play your own synth » by Nataliya Petkova from the feminist collective StudioXX Montreal (including all material and performance): www.instrumentsmakeplay.nl Photo: Stephanie Castonguay
Issue #015 Published: 27-11-2017 // Written by: Hessel Dokkum
Hoe komt er weer beweging binnen broedplaatsen
Laatst werd op de NDSM een symposium gehouden onder de noemer Making Space. De kern van de discussie spitste zich toe op de vraag hoe ervoor gezorgd kon worden dat broedplaatsen geen ingeslapen plekken zouden zijn na verloop van tijd. De toehoorders mochten meegenieten van de schrik van de sprekers over het feit dat econoom Richard Florida tegenwoordig zelf zijn filosofie dat steden zich moesten gaan richten op de creatieve klasse als economische waarborg, die door Amsterdam 15 jaar geleden werd omarmd, als onzin bestempelde. Het symposium eindigde met de constatering dat er achteraf gezien geen creatieve klasse bestaan heeft, en dat er veel ingeslapen broedplaatsen zijn, terwijl de vraag hoe dit laatste voorkomen kon worden, geen antwoord kreeg.  Men is blijkbaar vergeten dat er al een broedplaatsbeleid was voordat Florida met zijn term ‘creatieve klasse’ ervoor zorgde dat in 2005 het broedplaatsbeleid werd omgevormd van een sociaal experiment naar een kunstenaarsbeleid. Niet voor niets is sindsdien de wethouder van cultuur verantwoordelijk voor het broedplaatsbeleid in plaats van de wethouder ruimtelijke ordening. Ik denk dat er wel een antwoord te geven is op de vraag hoe broedplaatsen levendig gehouden kunnen worden, waardoor ze een meerwaarde voor de stad behouden op het gebied van experiment, sociale en politieke betrokkenheid, en hoe ze reageren op veranderingen. De oplossing is te vinden bij het ontstaan van het broedplaatsbeleid. Het oorspronkelijke stedelijk sociale experiment door middel van het broedplaatsbeleid is ontstaan in 1999 op aangeven van de kraakbeweging. Zij heeft als het paard van Troje haar positieve waarden meegegeven aan de stad middels het broedplaatsbeleid. In Amsterdam werden er rond 1980 veel bedrijfspanden gekraakt. Omdat deze panden geen keukens of sanitair hadden, werden er bij de kraak snel een keuken en een douche gebouwd. De krakers gingen daardoor noodgedwongen in woongroepen leven. Als woongroep zorgden ze ervoor dat het pand bewoonbaar gemaakt werd. Bij lekkages moesten ze zelf letterlijk het dak op. Er waren plenaire vergaderingen waarin iedere gebruiker een stem had. Zelforganisatie en zelfbeheer werden door het kraken van deze panden noodgedwongen geboren.  In Amsterdam zijn ongeveer 200 gelegaliseerde grotere panden. Van deze 200 panden zijn er 175 gelegaliseerd via aankoop door woningbouwcoöperaties. De krakers moesten dan hun pand uit en konden na de verbouwing weer terugkomen als huurders van de woningen. Als er iets stuk was, moest de woningbouwcoöperatie gebeld worden. Al met al was het resultaat dat de huurders over het algemeen apathisch werden omdat hen alle verantwoordelijkheid over de mogelijke invulling van hun omgeving afgenomen was. In 1988 werd de afbraak van de collectiviteit door het afstoten van de eigen verantwoordelijkheid doorzien door een aantal mensen. Door de gemeente werd toen in samenspraak met een aantal krakers de Casco+ regeling opgesteld. Deze regeling zorgde ervoor dat een woningbouwcoöperatie verantwoordelijk werd voor het casco, maar dat de huurders zelf verantwoordelijk werden voor alle inbouw. Als er gedeelde plichten zijn, hoort daar ook bij dat de groep zelf beslist wie hun collectief kan versterken. Voorbeelden zijn Tetterode en de WG-paviljoens, waar behalve gewoond ook gewerkt wordt door de groep. Daarnaast zijn ongeveer 20 panden behouden door middel van eigen aankoop. Voorbeelden zijn Vrankrijk, de Binnenpret, en Zaal 100. In deze panden bepalen de gebruikers hun eigen leefomgeving en dus ook wie er gaan wonen of werken. Deze panden draaien nog steeds op het Do-It -Yourself-principe. Het zijn panden die mee veranderen met de tijd, waar grasdaken en zonnepanelen verschijnen.  Het is duidelijk dat het hebben van gezamenlijke verantwoordelijkheid essentieel is voor het voortduren van zelfbeheer. Collectiviteit is een must. Collectiviteit en zelfbeheer creëren mensen die gaan experimenteren met hun omgeving. Het aannamebeleid bepaalt of een pand zich staande kan houden of niet. Bij een slecht aannamebeleid zakt een pand helemaal weg, de collectiviteit verdwijnt, waardoor de gebruikers zich gaan gedragen als huurders. Om dit laatste te voorkomen zouden binnen deze panden de gebruikers zich elk jaar individueel moeten verantwoorden waarom ze nog steeds deel uitmaken van het collectief en wat hun aandeel daarin is geweest dat jaar. Dit ter voorkoming van de veryuppirisering binnen deze panden. Binnen een collectief wordt men gedwongen om met anderen dingen af te spreken als men wil dat een pand leefbaar blijft. Door collectiviteit kunnen er meer dingen gestalte krijgen dan door individualiteit. De kracht van het collectief is zoveel groter, in collectieve panden kunnen dan ook dingen als debatten, festivals, restaurants, bars, buurtactiviteiten, etc. vorm krijgen. Het leven binnen een collectief pand is één grote ontmoeting. Gedeelde verantwoordelijkheid en gedeelde afhankelijkheid zorgen ervoor dat mensen elkaar tegenkomen en verbintenissen aangaan, waardoor er ook synergie op andere vlakken vaak plaatsvindt.  Verantwoordelijk zijn voor de eigen leefomgeving is natuurlijk een mooi gedachtengoed. Het is echter gebleken dat niet eenieder geschikt is om die verantwoordelijkheid te dragen. Er zijn mensen die niet coöperatief zijn en hun eigen privébelangen voorop stellen. Collectiviteit is bijvoorbeeld voor veel kunstenaars erg moeilijk; ze zijn vaak gericht op het eigen ik en het eigen creëren.  Het broedplaatsbeleid is in 1999 ontstaan naar aanleiding van een gemeenschappelijk raadsadres van verschillende kraakpanden onder het motto “De Stad bloed dood”. Veel kunstinitiatieven sloten zich aan bij dit raadsadres. Krakers zetten zich in de beginfase in om tot een goed broedplaatsbeleid te komen. Ze dachten mee met het Plan van Aanpak Broedplaatsen, waarin collectiviteit, diversiteit, ruimte voor experiment en zelfverantwoording als randvoorwaarden werden opgenomen voor het subsidiëren van nieuwe broedplaatsen. Ook binnen de eerste versie van het CAWA-reglement stonden deze randvoorwaarden hoog in het vaandel. De kraakbeweging gebruikte het broedplaatsbeleid om collectieve panden als OT301, Plantagedoklaan, en Wilhelmina te behouden, en plekken als Xpositron en ook de NDSM te creëren. Het Do-It-Yourself-principe heeft ook geresulteerd in het stadsontwikkelingsmodel ‘De Stad als Casco’. Dit model gaat ervan uit dat mensen de verantwoordelijkheid ten aanzien van de hen omringende omgeving zelf op zich nemen en dat zij zich binnen deze omgeving ontplooien. Het doel is een levendige stad te creëren, waarbij gebouwen en ruimtes casco opgeleverd worden en waarbij een volgende gebruiker er weer zijn/haar eigen invulling aan kan geven. Op de NDSM is dit model leidend bij de bouw van de broedplaatsruimtes. Op de Plantagedoklaan is binnen het erfpachtcontract gesteld dat van de 3000m2 vloeroppervlak er 1200m2 in gebruik moet zijn van kunstenaars, zonder dat daarbij is vastgelegd waar in het pand deze 1200m2 zich zou moeten bevinden. Werkruimtes kunnen daardoor bijvoorbeeld ateliers worden, ateliers kunnen lesruimtes of een kantoor worden, niets staat vast voor het gebruik in de toekomst. Tussen 2006 en 2007 is het broedplaatsbeleid door de gemeente van een sociaalbeleid naar een kunstbeleid omgeturnd waardoor commercialiteit, economische haalbaarheid en starheid de boventoon gingen voeren boven de mogelijkheden die veranderingen met zich meebrengen. Het experiment en de verbinding met de maatschappij zijn sindsdien niet meer belangrijk in broedplaatsen. Er wordt niet meer gezocht naar de zelfverantwoordelijkheid van de gebruiker of huurder. Als er teruggegrepen werd naar de randvoorwaarden van het oorspronkelijke Plan van Aanpak van het broedplaatsbeleid, en als elke gebruiker van een broedplaats jaarlijks aan het collectief zou verantwoorden waarom hij of zij onderdeel wil zijn van dat collectief, dan zouden broedplaatsen weer bruisende plekken worden. De foto’s zijn genomen tijdens NDSM Open - 10 years Art City en het symposium MAKING SPACE, over het betekenis en belang van culturele vrijplaatsen in Amsterdam. Fotografie: Vicky de Visser
Issue #015 Published: 20-11-2017 // Written by: Eric Duivenvoorden
Van wie is de stad
FAIRcity is een Amsterdamse stadsbeweging. Ze is vorig jaar opgericht als een platform van verschillende (buurt)actiegroepen en maatschappelijke organisaties om op te komen voor de toegankelijkheid en de diversiteit in Amsterdam. FAIRcity voert sinds deze zomer een campagne om de verkoop van gemeentelijk vastgoed aan de kaak te stellen. Als uitvloeisel van het program-akkoord van het college van B&W zijn er de laatste maanden tientallen gemeentepanden op de markt te koop aangeboden. Hieronder ook menig pand met een maatschappelijke bestemming. Het zijn voornamelijk voormalige school-  en kantoorgebouwen in het centrum die vaak al decennialang onderdak bieden aan tal van maatschappelijke organisaties. FAIRcity eist het behoud van de panden en de opschorting van het verkoopbeleid. Deze gemeentepanden moeten beschikbaar blijven voor initiatieven die door de oververhitte marktomstandigheden uit de stad verdreven worden. Juist de afgelopen weken kwam een bonte rij sociale en culturele instellingen in het nieuws omdat ze hun plek kwijt dreigen te raken: de ateliers van de Zondagsschilders op de Gelderskade, het Wijkcentrum in de Nieuwe Doelenstraat, de balletschool in de Weteringbuurt, de aula van de begraafplaats Vrederust, om er maar een paar te noemen. En als je even niet oplet is er weer ergens een leuk, vertrouwd winkeltje verdwenen omdat alleen grote ketens de huur nog kunnen opbrengen, zoals op de Haarlemmerdijk. Allemaal zijn de organisaties het slachtoffer van het voortschrijdende proces van steeds verdergaande vermarkting van de stad. Met de verkoop van het publieke bezit stimuleert de gemeente niet alleen deze ontwikkeling, ze zet ook het voortbestaan van de activiteiten van haar huidige huurders onder grote druk.      Maar het zijn niet alleen allerlei voorzieningen die het loodje leggen. Tegelijk wordt namelijk duidelijk dat men erop aanstuurt dat de stad binnen de ring uitgroeit tot het exclusieve domein van de beter verdienende klasse. Op een onlangs gepresenteerd groot nieuwbouwproject op Oostenburg met 1500 woningen is nauwelijks plaats ingeruimd voor sociale huurwoningen. De kritiek die hierop kwam werd door Stadgenoot in een twitterbericht hautain van de hand gewezen:  ‘Wij bouwen sociale en middenhuur. We verkopen kavels aan partijen die voor ‘rijken’ bouwen. Met de opbrengst bouwen wij sociale huur buiten de ring.’ Onder ieders ogen wordt een scherp onderscheid aangebracht tussen de rijke gedeeltes waar de happy few zich kunnen uitleven en de arme stadsdelen ver buiten het centrum. Hoezo tweedeling? Stadgenoot is zich van geen kwaad bewust en verschuilt zich achter het beleid dat in de stad als geheel 40% sociale huur in de nieuwbouw wordt gerealiseerd. Maar ondertussen helpen ze de toegankelijkheid en de diversiteit van grote delen van de binnenstad om zeep. Als hier niets tegen gedaan wordt, zal op termijn sociale verhuur alleen nog buiten de ring gerealiseerd worden. De verdringing die met de gentrificering van de stad gepaard gaat, treedt inmiddels in volle glorie aan de oppervlakte. Vooral nu de crisis voorbij is en de bouw- en investeringswoede om zich heen slaat is goed te zien waar het met de stad naartoe gaat. Maar het stadsbestuur staat erbij en kijkt ernaar alsof het een of ander natuurverschijnsel is. Terwijl juist stevige ingrepen noodzakelijk zijn. In de huidige turbulente omstandigheden mag en kan Amsterdam zich niet langer laten ringeloren door de Haagse politiek. Maar zoals het beleid van het huidige college van burgemeester en wethouders de afgelopen jaren duidelijk heeft gemaakt, hoeft hier van de liberale politieke partijen in het huidige stadsbestuur weinig verwacht te worden. Hun vertrouwen in de vrije markt houdt de stad steeds sterker in een verstikkende wurggreep.   Amsterdam wordt geteisterd door een veelkoppig monster dat alleen met vereende krachten het hoofd kan worden geboden. FAIRcity heeft geen pasklare antwoorden op deze aanvallen. Eén ding weten we wel: als we niks doen gaat de stad naar de gallemiezen. Op allerlei fronten zullen creatieve oplossingen gevonden moeten worden die daadwerkelijk tegenwicht kunnen bieden. FAIRcity zal de komende maanden in de aanloop naar de verkiezingen de vinger op de zere plek blijven leggen en iedereen ondersteunen die zich in wil zetten voor een eerlijke, diverse en toegankelijke stad.      Volg FAIRcity op Facebook, Twitter en www.faircity.amsterdam Meld je aan voor informatie of doe mee: info@faircity.amsterdam Photo: Boudewijn Rückert
Issue #015 Published: 14-11-2017 // Written by: ADEV
Amsterdam Danst Ergens Voor...
Welcome to the underground! We moeten het blijven herhalen, de Nederlandse dance scene is geboren in de underground. Vele huidige ADE goden kregen een kans op plekken ver weg van commercie en regelzucht. In het weekend van het ADE dansen de bezoekers steeds vaker op dezelfde beat en netjes in de maat. Tijdens het ADE zijn het kuddedieren, gaan ze van venue naar venue, als schapen op de Dam. ADEV (Amsterdam Danst Ergens Voor) vierde met een lichte tegenzin zijn 5 jarige bestaan, want de Amsterdamse underground staat zwaar onder druk. Dit jaar ging de manifestatie terug naar haar basis, een schel geluid vanuit de underground. Een harde stem tegen de vercommercialisering van de (dans) cultuur in Amsterdam. Op 21 oktober bracht ADEV het ADM naar het centrum van Amsterdam. Het ADM, als voorbeeld broedplaats in heel Europa, wordt na 20 jaar, bedreigd in zijn bestaansrecht. Want waar tegenwoordig alles in euro’s word gemeten bewijst ADM al 20 jaar dat zelforganisatie, tegendraads denken en onafhankelijkheid leidt tot een unieke aanvulling op het culturele, artistieke en politieke leven van Amsterdam. Het ADM strijdt tegen erkende vastgoed criminelen. De rechter besluit en de politiek is aan zet. Wij vroegen iedereen om zich uit te spreken voor het behoud van ADM, voor het behoud van de underground. Samen met een aantal soundsystems werd deze oerkreet tot ver in de stad hoorbaar. www.adev.nu Photos: peter van bergen henegouwen       
Issue #015 Published: 09-11-2017 // Written by: Tom
18th birthday of the OT301
The OT301 was squatted on the 14th of November 1999 by a group of artists that united themselves in a vereniging called EHBK (Eerste Hulp Bij Kunst). In the past 18 years the collective has gone through a lot of phases because it has never been an easy job to run and maintain a building with a group of people in a democratic way. Running a non-profit organization like the OT301, with all its public programming, artist ateliers and living spaces takes commitment and lots of energy from all its members. It is a responsibility that you have to share because it is too much work for a single person or a small group. Although it hasn’t been easy sharing a building/organization with a mixed group of (inter)national artists and other open minded people, it created a vibe and atmosphere that can not be copied by commercial organizations or so called Broedplaatsen (that are initiated by the city government). Hard work pays off and creates something extraordinary. In places like the OT301 buzz-words like raw and authentic aren’t marketing slogans or styling efforts. It is the real deal! The average outsider or visitor might think that the OT301 has won all its battles since the vereniging bought the building in 2006 and slowly transformed into a well oiled machine but not all is what it seems. It still takes lots of energy and discussions to make the ‘right’ decisions, every day, week or month, again and again. A project like this (luckily) is a never ending project and besides the hard work it is very important to realize that the bricks itself are worth nothing. It is all about the people and the energy that they put into the collective and its activities. On Saturday the 11th of November the OT301 will celebrate its 18th birthday. In this case the 18th birthday does not mean that something is fully grown because the OT301 is in fact a never ending proces and it should always be a playground for those that want to experiment without the pressure of financial success. It can not be emphasized enough that places like this are important for a city that has always been proud to be open minded, creative, liberal and free. On the 11th the OT301 will be open from 13:00 till 05:00 hrs. There will be lots of activities during the day (and night). Let’s celebrate the 18th birthday of an experiment that values collective ownership, autonomy and self management more then anything else.     PROGRAM: ++++++++++++++++++++++++ 4Bid  Gallery (ground floor) From 14:00 hrs 4bid gallery will be open from 14h presenting an archive of event hosted by the space, together with an exposition of works which were made in the OT301 gallery during the weekly Life Drawing sessions. A collection of memories from our program of performances, exhibitions and discussions will be screened, in parallel with drawing sessions throughout the afternoon. We will bring you sweet music, creative freedom, experimental poses, projections, and, of course, a model to draw from. Let us share our passion for making things happen and involving interested people in it. ++++++++++++++++++++++++ Cinema - 19:00-23:00 hrs (2nd floor) Born in 1999 - Free Screenings: 19:00 The Iron Giant 21:00 Existenz Cinema bar open from 18:00-00:00 hrs ++++++++++++++++++++++++ Studios (ground floor) Studio 2 13:00-22:00 hrs: Various activity's, food, drinks, ping pong Studio 1 13:00-14:00 hrs: Aerial kids Okido Yoga class and presentation by: Youth circus OTt301 Max 6 kids sign in by sms or whats app (06-50998032) https://www.facebook.com/Aerial-Kids-Dance-Okido-Yoga-Ot301-844856992237739/ 18:00-18:30 hrs: Presentation of Movement academy OT301 and project Life for life OT301 https://www.facebook.com/Lifeforlifeot301-659825147530864/ 18:30-20:00 hrs: Aerial therapeutics class by: Movement Academy OT301 Max 6 participants sign in by sms or whats app (06-50998032) https://www.facebook.com/Movement.Academy.OT301/ 19:30-23:00 hrs: Aerial and dance improvisation, breakdance + Photo expo from Artistic Aerial photo shooting  at Movement Academy ot301  23:00-05:00 hrs: DJ/Live music night with: Bonnie Li (Live, French duo - Berlin based) Sycomor (Live act, French - Berlin based) Colin DJ’s Klerezooi Power vs Power  K2z3ko no28 Visuals by: Nuns with guns Art by: Royale Belleville/ Studio Inferno III Performance by: Movement academy Ot301 ++++++++++++++++++++++++ Bodlabot (1st floor) 14:15-15:30 hrs: Dance Improvisation Open Class In this class we start working using the floor as our partner to warm up and generate movement possibilities, to then move gradually up and create dances.  More information: https://manuelalucia.com/ 16:00-17:00 hrs: Chi Kung Open Class Chi Kung is an ancient art used in martial art and for health.  This open class is an introduction but also in depth study of a simple act of standing still. The material of the class will be rooted in ancient excercises and postures which are simple and easy to integrate in daily life. The aim of the class is to find esse in standing still, to improve circulation and strengthen the core structure of the body and mind. www.chikungmetizabela.nl ++++++++++++++++++++++++ Peper (ground floor) Sub:terrein DJ’s: Franco Najera and Eskaym (Techno, House, Breaks, Jungle, Dnb) Programming different styles of electronic music on the one night. Mono-cultures are boring. Melt the genre silos. Exhibition: ‘Urban Legends’ collages by Svetlin Velchev. ++++++++++++++++++++++++ Artist: Ruud de Kort (1st floor) Open studio showing work. From 13:00-20:00 hrs ++++++++++++++++++++++++ Anamorphic studios (3rd floor) tba ++++++++++++++++++++++++ Facebook event >>>
Issue #015 Published: 07-11-2017 // Written by: Elkerlic
Futurologic Symposium and xx birthday ADM
Dear citizens, Since the earth’s population became more urban than rural the word gentrification is buzzing around in cities around the world. Ten years ago it was still an obscure phenomenon, now it is urgent to be aware of this unacceptable and destructive process which is noticeable in a lot of different aspects in society. Our 7th futurological symposium unveils effects, resistance and solutions against gentrification and focuses on the importance of saving the gentrified free cultural spaces. A three days symposium at the ADM 20th birthday festival about “Degentrification: a manifesto in action” After symposia were held in Ruigoord, the Netherlands, at the Boom Festival in Portugal, in Christiania in Denmark and in the Free Republic of Uzupis in Lithuania, this year the symposium took place at the ADM site. The ADM celebrated its twentieth anniversary as a free cultural space and is right now threatened in her existence. With the 7th symposium we wanted to come up with a number of concrete proposals to the municipal authorities regarding the need to maintain free cultural spaces and to create new ones as well. A concerned audience and about 50 presenters from academies, movements, and of course free cultural spaces from all over the world gathered in the inspiring surrounding of the Robodock exhibition at the ADM. Free Cultural Spaces promote diversity and mutual solidarity. No homogenization of the ab-normal, but a welcoming of the extraordinary. People of all walks of life meet each other in Free Cultural Spaces. These spaces are particularly well suited for exploring the unknown and pushing boundaries. Their personal charisma reinforces the bonds between urban, rural and neighbourhood dwellers, and their hospitality fosters a versatile cosmopolitan society. Free Cultural Spaces are not just festivals and squats, but include many intentional communities, eco- and organics initiatives, free schools, creative nomads and more. At the symposium several representatives of free cultural spaces talked about their specific situation in the light of gentrification:, the Independent Republic of Užupis (Lituhania), Christiania (Copenhagen), Ruigoord (Amsterdam), Erf 81 (Capetown), Poortgebouw (Rotterdam) and the Institute for (X) (Aarhus), the organizer of next years futurological symposium.  All these are places where you can feel free in a visible and tangible way. However, free cultural spaces all over the world are threatened by gentrification, each of them in their own specific way. But gentrification affects a lot more different aspects within society as it encompasses problems of all kinds, ranging from the reduction of social housing, alienation within neighborhoods, commercialization of city-centers, diminishing the variety and color of the city, dedication to overconsumption and a culture of greed, in short social and cultural exclusion.  Cody Hochstenbach (NL) for example did point out how gentrification directly increases inequality. Thus also the breeding ground for creativity and new ideas and these are needed to prevent the city from degenerating into humdrum. He stated that gentrification is certainly not an automatic process like many policymakers want us to believe, but a deliberate composed strategy developed by the ones with power instead. Over the last thirty years a shift from social democracy to liberalism took place in Amsterdam. Wouter van Gent (NL) showed us that the gentrification frontier advanced and working class voting blocs diminished in the last decades which permitted a new middle class hegemony to institute policy changes to further push gentrification.   At the same time people are fighting back like Brian Doucet’s presentation showed. Late last year, a diverse grassroots movement emerged to oppose the city’s housing plans from Rotterdam with a referendum. For several reasons the referendum was ignored by the city council, but because opposition and resistance was focused on a city-wide issue, rather than a specific development or estate, gentrification and displacement became major topics of conversation. As a result, the question: “Whose city is Rotterdam?” was discussed across the city. In Berlin we see that the lack of rental housing, rising real estate prices, and gentrification did result in for example a “Milieuschutz”, the protection of certain milieus, a law to actively block gentrification through regulation in five areas in Berlin. Andrej Holm (Ger) did show us how he is active in this process and tries to re-arrange and improve more existing laws for fair and social housing in Berlin in such a way that the results of these laws cause less gentrification and inequality. We also learned about initiatives to combat gentrification in Milan, Lisbon, Barcelona, London, Berlin, Vilnius, Copenhagen, and towns and cities in Serbia, Poland, Russia, South and Detroit. Doucet stressed the need for indigenous, radical ‘activist-leaders’ in Detroit.  Many of these people also operate on the edge of the city (or at least outside its downtown), but the message from his book “Why Detroit matters”  is that if we want to have a fair city, then these visions need to be much more central in our collective thinking about public space. Marko Aksentijević (Ser) tells us that more and more people from Belgrade have learned to be deeply suspicious after decades of dodgy sell-offs. Now they are protesting against the expensive housing on the waterfront with their group “Don’t Drown Belgrade”. Sometimes thousands of people are protesting with a big plastic duck as a symbol. “The word duck in Serbian means fraud” explains Aksentijevic, “it’s a symbolic way of saying the project is really Belgrade Water-fraud.” Despite all these demonstrations the waterfront development still continued, but many people get aware and engaged in their movements. Also some unexpected forms of gentrification were presented. The influence of urban greening demonstrates that such initiatives, while positive for the environment, tend to increase inequality and thus undermine the social pillar of sustainable development tells Roberta Cucca (Aus). Although greening is ostensibly intended to improve environmental conditions in neighborhoods, it generates green gentrification that pushes out the working-class.  The living streets (Leefstraten) in Gent are an example described by Cedric Goossens (Be) of degentrification. It is a grassroots greening initiative (Leefstraten) to examine how greening initiatives can be entangled with or engender processes of gentrification and displacement. Degentrification implies decentralization of (often historical) centers. The centralization of suburbs is not always covered by city councils. If we want to make a city bigger or smaller, we have to consider it in its entirety. Trans-industry exceeds industry. Trans-industrial landscapes lie in the margins of cities, just like cities lie in the margins of trans-industrial landscapes. A trans-industrial landscape is characterized by synergy between, for example, culture and nature, between the center and the periphery. That’s why Freeport Ruigoord has been saved. Enclaves of freedom like Christiania, Ruigoord, ADM and Uzupis are places of attraction for Copenhagen, Amsterdam and Vilnius, respectively. Ownership management sees competition as a driving force for the economy. If competition plays such an important part, let’s not compete for being ‘better’, but take care of places where individuality and difference can still blossom. The free cultural space is the first link in the creative (thinking) process. Industry and trans-industry are the last links. At the end of the FCS Symposium, we managed to issue a Manifesto entitled ‘Pretty Vacant’ in praise of the extremely diverse range of Free Cultural Spaces around the world.  A number of concrete proposals regarding alternatives for an again livable and creative city. The preservation of the last free cultural spaces in the margin is at stake, but attention to a creative drip for the city center is also required. It is not just about Amsterdam. The statement to be made about the importance of new free cultural spaces in the inner cities will be sent to the municipal councils of various major cities at home and abroad, so that they will be infected with the ‘freedom virus’. Best, Elkerlic Ps. It’s a manifesto in action, so to be continued. See you next year in Aarhus and soon on the streets of Amsterdam! Thanks to Maik ter Veer, Alan Dearling, Ralf van der Schaar, Menno Grootveld, Eric Duivenvoorden, Ernst du Pon, Frank Sol, Hay Schoolmeesters, Patrick van Ginkel and Aja Waalwijk www.freeculturalspaces.net www.fcsamsterdam2017.nl www.faircity.amsterdam ================================= Manifesto Pretty Vacant A manifesto on Free Cultural Spaces 1. We are the inhabitants and users of Free Cultural Spaces. People of all walks of life meet each other in Free Cultural Spaces. These spaces are particularly well suited for exploring the unknown and pushing boundaries. Their personal charisma reinforces the bonds between urban, rural and neighbourhood dwellers, and their hospitality fosters a versatile cosmopolitan society. 2. There are Free Cultural Spaces on land, at sea and in the air: walls, buildings, plots of land, canals, the ether, the world wide web. Free Cultural Spaces are every-persons-land. 3. In an (over)regulated society the autonomous value of Free Cultural Spaces as a major force behind new creative developments needs to be recognized. There is a need for ‘freespatial culture’: for permanent, temporary and nomadic spaces where people can come to their senses. 4. The attractiveness of cities is not only based on our identity as owners and consumers, but also on our identity as creators. A creative atmosphere, a green environment and a free cultural climate are therefore at least as important as economic considerations. An unbounded experience of space and time always “pays off.” 5. A free cultural climate is at odds with the proliferating gentrification. Instead of attempting to eject (less affluent) elements in order to upgrade neighbourhoods or districts, Free Cultural Spaces promote diversity and mutual solidarity. No homogenization of the ab-normal, but a welcoming of the extraordinary. 6. In opposition to the increasing pressure of rules and gentrification, Free Cultural Spaces emphasize the production of disorder, bringing life back into soulless urban landscapes. Sometimes making way for metropolitan development is unavoidable, but it is in the interest of all communities to keep the values and the functioning of free cultural spaces intact. 7. Inhabitants and users of Free Cultural Spaces readily assume responsibility for their realization and internal organization. It is, therefore, in the best interests of civic administrations to provide suitable space for and to play an active role in the enabling of new Free Cultural Spaces. 8. When city councils foster an even distribution of Free Cultural Spaces, spontaneous Zones Of Opportunity (ZOOs) will arise everywhere, in city centers as well as on their peripheries. And it must be “the responsibility of the community as a whole” to provide alternative locations whenever existing Free Cultural Spaces disappear. Manifesto by: All participants and audience of the 7th Futurological Symposium on Free Cultural Spaces, Amsterdam, October 2017.  
Issue #014 Published: 02-11-2017 // Written by: Jaap Draaisma
SCHEUREN IN DE CREATIEVE STAD EEN RECENSIE VAN RICHARD FLORIDA’S THE NEW URBAN CRISIS
The Rise of the Creative Class “Aan de kant; Scheuren door de Creatieve Stad” was de titel van een bijeenkomst op de NDSM in 2004, georganiseerd door de Vrije Ruimte en anderen om tegenwicht te bieden aan de jubelverhalen over de Creatieve Stad.  De goeroe van die Creatieve Stad, Richard Florida, was vlak daarvoor door de gemeente naar Amsterdam gehaald om zijn boodschap te verkondigen: Amsterdam moest de loper uitleggen voor internationale Hightech-, ICT- en ‘creative industry’-bedrijven moesten de ‘creatieve klasse’ binnenhalen. Dat zou veel werkgelegenheid en economische groei opleveren, rijkdom en welvaart voor iedereen brengen.  De Vrije Ruimte zag dat anders: die aanpak van de creatieve stad zou tot het verdwijnen van de goedkope plekken voor kunstenaars en creatieven leiden, de stad onbetaalbaar maken en daardoor slecht uitpakken voor de mensen die niet ‘hoog opgeleid en creatief’ zijn. We voorzagen dat mensen plaats moesten maken voor het grote geld, de buitenlandse investeerders en de buitenlandse huizenkopers. Nee, zeiden de gemeente, de Kamer van Koophandel en De Waag op de bijeenkomst: wees blij dat al die investeerders en mensen met geld naar Amsterdam komen, dat is werk voor iedereen en komt iedereen ten goede (in economische termen: door het trickle down effect profiteert iedereen).  Amsterdam Superstar Helaas, helaas, wij hebben gelijk gekregen. Amsterdam Creatieve Stad is – in de termen van Richard Florida – een ‘superstar city’ geworden, waar de rijkdom absurde vormen heeft aangenomen en de ongelijkheid waanzinnig is toegenomen. Er is wel meer werk gekomen, maar dat betreft vooral tijdelijk en slecht betaald werk. De inkomens van de mensen met lage opleidingen zijn de afgelopen 15 jaar nauwelijks gestegen, terwijl het leven in de stad schrikbarend duur is geworden en het aantal rijken en superrijken in Amsterdam is geëxplodeerd. Aanvankelijk maakten huurwoningen op grote schaal plaats voor koopwoningen voor de middenklasse; nu zijn deze voor de middenklasse te duur geworden.  Was de creatieve stad altijd al een ramp voor iedereen met een laag inkomen, nu wordt ook de middenklasse slachtoffer. Kleine speciaalzaken verdwijnen, alsook de kleine, goedkope culturele voorzieningen.  De toegankelijke en open stad gaat eraan. Kortom: de stad zit in een vette nieuwe stedelijke crisis.  En dat is niet alleen onze analyse, de goeroe zelf heeft dit ontdekt en onderbouwd in een nieuw boek: The new Urban Crisis, dat verscheen in april 2017. Crisis, what crisis? In het grootste deel van het boek ‘bewijst’ Richard Florida dat de superstar cities, de creatieve steden waar alle succes en rijkdom zich concentreren, in een diepe crisis zitten.  Daarmee haalt hij deels zijn boek The Rise of the Creative Class (2002) onderuit. Wel zijn  de steden die de Hightech, ICT, creatieve industrie en creatieve klasse hebben binnengehaald inderdaad de meest succesvolle steden geworden, met de hoogste economische groei, de meeste banen en de hoogste rijkdom. Maar dat heeft niet geleid tot welvaart en perspectief voor iedereen. Integendeel, de kloof tussen rijk en arm is absurd groot geworden, de armen zitten steeds meer opgesloten in arme wijken met slechte voorzieningen en verbindingen, de steden worden ontoegankelijk voor nieuw talent en de middenklasse wordt weggedrukt door de rijken.  Er ontstaan zo binnen de stad twee steden: de succesvolle, rijke stad en de arme stad. Dit thema, verwoord in The Tale of Two Cities, was het programma waarmee Bill De Blasio in 2014 burgemeester van New York werd.  The Failure of the Creative Class Florida stelt nu dat onder het motto the winner takes all de rest van de stad en van het land wordt leeggezogen. Tot zijn verbazing werken de herverdelingsmechanismen niet meer. Want in de nieuwe economie van Hightech, ICT en creatieve industrie zijn geen vakbonden, en betalen de grote bedrijven geen of nauwelijks belasting. Het succes is gebaseerd op het principe van clustering en concentratie, wat leegzuigen betekent en dus vampirisme, in de economische theorie ook wel kannibalisme genoemd. Door neoliberalisering en globalisering is de mogelijkheid om te herverdelen verdwenen. Enorme segregatie binnen steden en tussen steden en de rest van het land is het gevolg. En ook het trickle down effect werkt niet meer, er sijpelt geen rijkdom meer naar beneden. In de geglobaliseerde economie wordt dat wat door de creative class wordt bedacht in lagelonenlanden gemaakt. Dat levert hier geen industriebanen op, waardoor de ‘arbeidersklasse’ er weinig tot niets aan heeft en armer en gefrustreerder raakt.   Door het succes van de creatieve stad groeit de zogenaamde Service Class (de verpleegster, buschauffeuse, horecapersoneel, politieagente, onderwijzer, schoonmaker en ook de meeste kunstenaars, toneelspelers en muzikanten) enorm in aantal banen, maar die banen zijn slecht betaald en vaak tijdelijk. Van één baan kun je in de dure stad niet leven. Er is veel werk, maar een groeiend deel van de bevolking hoort bij de ‘werkende armen’.  Florida gaat fel tekeer tegen de huiseigenaren in de superstar city: zij zijn de parasitaire klasse die slapend rijk wordt. Door de explosie van huizenprijzen in superstar cities worden zij rijk, zonder iets te doen, terwijl anderen dubbele banen moeten nemen en dan nog in armoede leven.  Maak de stad radicaal anders Het boek beschrijft vooral de nieuwe stedelijke crisis. Pas in het slothoofdstuk komt Florida met voorstellen om die crisis aan te pakken. De superstar city is de kip met de gouden eieren, die moet je dus niet slachten, schrijft Florida, want dan ben je de bron van economische groei en welvaart kwijt. Om de stedelijke crisis te overwinnen is juist méér stad, méér concentratie nodig. Met een radicale herverdeling moet de hele samenleving gaan profiteren van die superstar cities. Florida doet een aantal voorstellen voor die radicale herverdeling:  1. De lonen voor de service workers enorm verhogen. 2. Veel meer sociale huurwoningen bouwen (wat Amsterdam nu van plan is). 3. De grond in gemeente-eigendom brengen, zodat deze via leaseconstructies de enorme toename van de grondwaarde kan afromen (wat Amsterdam net heeft afgeschaft). 4. Beperkende regels voor stedelijkheid en hoogbouw afschaffen, maar als gemeente er wel voor zorgen dat er gemengde wijken van hoog- en middelhoogbouw, van oudbouw en nieuwbouw, van wonen en andere stedelijke functies ontstaan.  5. Investeren in mensen en arme wijken: onderwijs, openbaar vervoer, voorzieningen.  6. Op grotere schaal weer zelf produceren in plaats van de productie van goederen uit te besteden aan lagelonenlanden. Denk bijvoorbeeld aan het maken van echte lokale productielijnen en het opschalen van de ‘makers beweging’.  It’s the society, stupid! Wat duidelijk wordt bij het lezen van Florida’s boek is dat de urban crisis eigenlijk geen stedelijke crisis is, maar een crisis van de hele westerse samenleving. De industriële maatschappij leverde voor het grootste deel van de bevolking welvaart en perspectief, terwijl de huidige creatieve maatschappij tot een diepe kloof in de samenleving leidt, waarbij er voor de meesten geen muziek meer in zit. De creatieve stad heeft het pad geëffend voor een beleid waarvan wij vandaag de perverse gevolgen moeten dragen. Hoe liberaler, vrijer, diverser, succesvoller een stad, hoe groter de kloof tussen rijk en arm, hoe meer segregatie. Hoe meer creatief talent een stad weet aan te trekken en hoe meer ze de culturele waarden die daarbij horen verkondigt, hoe verbitterder de rest van de bevolking zal worden. De haat tegen alles wat liberaal en creatief is, groeit verder. Als het niet lukt de culturele strijd – in de breedste zin van het woord – met de ‘klassenstrijd’ (die van werk, inkomen, armoede en welvaart) voor iedereen te verbinden, dan zal de crisis nog dieper worden. Florida legt dan ook een rechtstreeks verband tussen de nieuwe stedelijke crisis en de overwinning van Trump.  En dat brengt mij terug bij de discussie op NDSM in 2004. Het is duidelijk dat de Florida cheerleaders van toen een belangrijke ideologische bijdrage hebben geleverd aan de stedelijke crisis die de Amerikaanse geograaf zo helder beschrijft. Voor ons als Amsterdammers moet dit een grote rode waarschuwingslamp zijn. Wij zeggen: AAN DE KANT met je creatieve stedelijke innovatieprojecten, je smart city en andere technocratische oplossingen. Die betekenen alleen maar meer van hetzelfde ideologische gemeier, het meedraaien met de neoliberale wind. De echte uitdagingen liggen elders: in het collectief organiseren van een nieuwe politiek die de stad teruggeeft aan haar burgers.  Richard Florida zal dit keer niet door het Amsterdamse gemeentebestuur uitgenodigd worden.
Issue #015 Published: 02-11-2017 // Written by: Denis McEvoy
Too many foreigners?
“Well it gives us a chance to laugh at the French, the British and the Germans, obviously,” remarked one friend when asked why Dutch people love the TV show ‘Allo ‘Allo. As the Badhuis International Theater company begins its third run of the hilarious stage adaptation of the TV classic, Amsterdammers are facing their city’s eternal question, again: How can we possibly deal with all these foreigners?  Tourists and expats are flocking to Amsterdam in ever greater numbers. But far from representing a threat to Amsterdam’s culture, foreigners are a vital and vibrant part of the city’s cultural DNA, at every level. However, the policies that tempted this wave of tourists and expats may have a considerable downside.  Amsterdam has been international for as long as it has existed. In recent decades, foreigners have been drawn here by the perceived liberal attitudes, the easy-going atmosphere and the strength of the city’s counter culture. These newcomers have propped up services and agriculture and provided language skills beyond the reach of even the polyglot Dutch. But, more relevant to the matter at hand, they have become an essential part of the city’s glamorous high cultural delights and just as essential a part of her gritty counter-culture.  Residents of Amsterdam, foreign and native, can be proud of the city’s world-class cultural landmarks, like the Rijksmuseum, the Hermitage or the Carré Theater. Foreign names, ideas and treasures abound in the esteemed museums, concert halls and theaters. But imported names and ideas also make a massive contribution to the squats, blackbox theaters, and poky bars and cinemas where Amsterdam derives its true culture, its chic, its independence, its uniqueness.  Counter cultural types don’t tend to come with full wallets, however. For the last ten years, Amsterdam’s officialdom has worked to reinvent the city’s image and make it a more attractive destination for international business and mainstream tourism. That means working to attract a different type of foreigner.  The plan has worked. Businesses are stacked with young, high-earning professional expats. Rents have sky rocketed. Middle and lower earners have been squeezed further and further out of the centre.  What does this mean for culture? The city’s famous high- cultural institutions benefit from the increase in tourist spending. Meanwhile the already under-subsidized havens of alternative Amsterdam have to pay more for their rent and fight against the marketing machines of considerably better-resourced venues, and their struggle for survival intensifies. The official plan to sell Amsterdam as a destination, perhaps predictably, risks selling out Amsterdam, and resentment of tourists and immigrants may end up spreading like the proliferation of unsanctioned Air BnBs.  Fortunes are not made performing obscure Welsh theatre. No one has yet become rich by screening and discussing Communist-era Polish propaganda films. Reinterpreting folk stories from Papua New Guinea is unlikely to prove lucrative. But these sorts of pursuits, coupled with a cheap beer or a cozy cup of tea, are the ecosystem that makes Amsterdam’s culture so vibrant. A captive audience, even if few in number, is the main reward alternative actors, musicians, story-tellers and performers of all sorts are seeking. Amsterdam offers that audience, and foreigners are now and always have been up to their elbows in creating, protecting and promoting alternative culture in Amsterdam.  In Amsterdam, alternative culture has never needed significant support (although it’s nice, of course) or protection, only enough space to grow. And if that space is taken away, it won’t the fault of foreigners. We can prove it. Don’t believe us? Come and see our acclaimed, foreigner-filled production of ‘Allo ‘Allo.  From November the 3rd till the 12th, Mike’s Badhuistheater brings the famous BBC series ‘Allo ‘Allo! back to the stage. We have had enormous success with this production, with children as well as parents. The appeal is universal. The play returns after sold out shows Christmas 2016 and Spring 2017. The cast of ‘Allo ‘Allo! is an international cast and they are fluent in the English language.  Mike’s Badhuistheater is very successful with classical English language plays like ‘Allo ‘Allo!, Blackadder Goes Forth and Sean O’Casey’s Dublin Trilogy. It is historically interesting as well as being hilarious. The play is set in the local town café in Nouviens in German-occupied France during the Second World War. René, the local café Owner, has many problems! The Germans are threatening to shoot him if he does not secretly hide their stolen goods; the Resistance is using the café as a safe-house for shot-down British airmen; and on top of that, he is trying to keep 3 passionate love affairs going with his café waitresses and also secret from his wife. Sounds like a death sentence? ‘Allo ‘Allo! is directed by Michael Manicardi. Send us a mail (badhuistheater@gmail.com) if you would like to come to the play for a reduced price tickets. It is important that we know the numbers so we can reserve for you Dates and times: • 03 / 11 / 2017 - 20:15        • 04 / 11 / 2017 - 20:15 • 05 / 11 / 2017 - 17:30 • 10 / 11 / 2017 - 20:15 • 11 / 11 / 2017 - 20:15 • 12 / 11 / 2017 - 17:30  
Issue #014 Published: 24-10-2017 // Written by: eve kalyva
ON PROJECTION AND IMAGINATION (REVIEW)
It is not very often that I find a video projection I am interested in watching to the end. Let alone watch twice. The Circle Of was a pleasant surprise, and a very engaging experience. The big room of the Dokzaal was transformed into a cosy and relaxing setting. Cushions, rugs, blankets and bowls with fruit occupied the biggest part of floor. On the high ceiling, there was an intricate mesh of handwoven screens. They hung in well calculated distance in relation to their size and their function pushed one’s imagination farther than a giant dream catcher: their centre served as a semi-transparent, multi-layered projection surface. The video lasted about 45 minutes and was accompanied by live music. I was immediately captivated by the experience and progressively got lost in space and time – a space and time that this multi-sensory work commanded very well. Soft, distant views of what could be blue skies were projected onto the ceiling screens and accompanied by a tranquil, dream-like melody. Seamlessly these images turned into close ups of vibrant colours and organic forms quickly alternating and rotating through the depths of the meticulously crafted netlike surfaces, while lyrical crescendos and improvised percussion echoed across the room. Not before long, this got dissolved and replaced by some lingering views of some past memory or encounter and floating sensations set against a resonating flat minor. Above and beyond me, chimes and bells were disappearing in the distance. Finding the right balance between visual input, audio and space make-up in order to achieve an immersive but also a thought provoking experience is a challenging task. It requires creativity and imagination, and there is no doubt that Eszter Horváth and Zsolt Sarkozi who conceived the project and their collaborators Caroline Lindo and Gábor Hartyáni had plenty of that. But perhaps more importantly, one needs good technical and formal grounding to be able to perfectly combine and execute such a three-dimensional ensemble of images, sounds, surfaces and sensations. This installation/performance was finely tuned and progressed naturally, mesmerising and inciting one to wondering what there is to be seen and what could be there to be seen but also recalled, imagined and projected.  Now and then, the textile screens moved and jingled. This very simple idea has a remarkable twofold effect. First, it adds to the feeling of losing one’s self inside the space. The circle in the ceiling becomes a hole in a lowering sky – a sky that arches over the city but which also becomes inverted revealing kaleidoscopic views of the latter’s contents. In this sense, the screens form a tunnel of vision and imagination that connects the here with the out there, the now with some other time and our bodies with the world and the others around us. Second, these physical and sound vibrations have a grounding effect. Enhanced by fabric details hanging perpendicularly to the rest of the projection screens, they interrupt the unfolding of the immersive experience and draw attention to the act of being immersed. They make one realise the process of losing one’s self in space while underling how space supports this act. They draw attention, in other words, to the materiality of the medium and the physicality of the act. This idea of providing a point of reference for the viewer helps conceptualise the dialectics of experience and has the critical potential to cancel any escapist tendencies that immersive installations often evoke.   According to its creators, one of the ideas behind The Circle Of is the interest in making the viewer aware of the projection screen and, more specifically, of the act of watching a projection. In strict terms, a projection is a one-way linear relationship between an aperture (often mechanically controlled) and a neutral surface. One of the ways to draw the viewer’s attention to how projection is formally supported and therefore conditioned is to break the frame and the composition of what is being projected (its time, space and contents). Another way is to disturb the projection surface by altering its orientation, texture, colour etc. The dialogue with live experimental music rather than a set score can also serve to ground the viewing experience. The Circle Of masterfully combines all the above and being based on improvisation and site specificity, it has the capability to expand further this engagement with the medium, the carrier and the positioning of the viewer.  Lying on the floor, I could feel, see, hear and imagine the dialogue between the ground pressing my body and the ceiling which was beyond my reach. It was a dialogue between the image and the sound, projection and matter, my body and space, me and others, transparency and colour, the rational part of my brain recording all this and the most subtle forms and hues my imagination could evoke. Realising what is still possible to do has a cathartic effect. What would the implications be, lyrical or otherwise, to conceive a hole in the sky looking right back at us? Image credits: The Circle Of, 13-14 May 2017, Dokzaal. Eszter Horváth and Zsolt Sarkozi (video and concept), Caroline Lindo (textile artwork), Gábor Hartyáni (live cello music). Photo by Eszter Horváth.
Issue #014 Published: 19-10-2017 // Written by: katerina Gladkova
A MOMENT FOR SHITTY POETRY
A fading sheet of yellowish thin paper with corners curling inwards snagged my eye. It was sloppily glued to the abrasive surface of the bridge facing Brouwerij’t IJ. Four brisk lines of text titled “A Moment For Shitty Poetry”. Four intentionally mawkish, almost childish descriptions of the anguish of not being around your loved one provoked a smile. I came across it in early July. I came back two weeks later. It was gone, any conspicuous traces of it vanished. Moments for poetry are ephemeral.  Those lines made me think – how many more flimsy looking, battered sheets of paper are peppered around the city? Certainly more than one. Do they change our experience of poetry? Certainly they do.  An obvious impulse to Google revealed Straatpoezie platform, created by Kila van der Starre, a PhD researcher from the University of Utrecht. The platform has accumulated an astonishing number of street poems through crowdsourcing – 1353 so far and still counting. Around 115 of them are verses scattered around the landscape of Amsterdam, displayed from buildings, streetlamps, and bridges.  Kila has been stumbling across poetry in the streets of the Netherlands and Flanders for as long as she can remember. She discovered that encountering poems in public places is the third most common way to experience poetry among Dutch adults, right after special events and television. But despite its ubiquity, street poetry has never been traced, documented or collected. Kila resolved to fill this void by creating www.straatpoezie.nl as a part of her research project on ‘poetry off the page’ and the website was launched during the National Poetry Week in January 2017.  Street poetry is a bemusing phenomenon. “It pops up in the most unexpected places and it’s not always clear who placed the text in our public area, or even who wrote the text,” – says Kila. With some associating it with the worlds of rebellious performance or music, others labeling it ‘accessible art’, the exercise of shrinking its kaleidoscopic nature into one definition proves to be futile. Straatpoezie website opts for an all-encompassing umbrella term, diluting labels with inclusivity: “street poetry is written poetry placed in public space. This means that the text must be accessible day and night”. The definition is stretched even further as it is left up to the community to establish whether the work they are confronted with is poetry or not – depending on the cultural, historical, social and institutional context of the text. Thus far Straatpoezie features poems by canonical authors (Ida Gerhardt, Ingmar Heytze, J.J. Slauerhoff, Joke van Leeuwen, Lucebert and Rutger Kopland) rubbing shoulders with poems by unknown talents and even song lyrics. Street poetry is a genre that sweeps across other cultural and social phenomena. Kila points out that poems are part of our literary heritage that has not been archived.  They are also a form of art, equal to poems that beam at us from books or that we see performed on stage. Kila explains that poetry in book form has eclipsed other forms of poetry expression: “all poetry prizes go to books, all poetry reviews are written about books, all poetry funding goes to poets who write books. But the book is not the only way in which poetry exists. In fact, empirical research shows most people experience poetry outside of books: during special occasions, on tv, on social media, in newspapers, on the radio, in public areas and so on.” And even beyond the book the means of poetry circulation are staggeringly versatile. Along with the more recognized ones – posters, plaques on houses, glass etchings – Straatpoezie introduces counterintuitive spots for creativity outpouring. Be it a stanza stretching across someone’s window; a ribbon of words meandering around a building defying the laws of verse; a poem craftily engraved into a seat or a drinking fountain stand – poem locations are competing with the lushness of language in ingenuity. Finally, street poems might as well be a subversive vehicle for protest. “The slogan ‘La poésie est dans la rue’ was written on walls in France in the sixties and in 2013 it was used again during protests in Turkey. Some graffiti artists can also be seen as protest street poets, such as Laser 3.14 in Amsterdam,” – remarks Kila.  Critics might decry street poetry as vandalism and hide it from public gaze by removing poems or painting over them. Kila agrees that in theory “painting, spraying or placing poetry in any other way on a wall, window, pavement or any other piece of public area without consent is vandalism”. But the public consciousness of the literary community slowly starts waking up to the realisation that street poetry should be respected and preserved as an integral part of our literary heritage, rather than cracked down upon – a transformation akin to the debate on street art in the art world.  I skip back to my undocumented “Moment For Shitty Poetry”. Although just for a couple of weeks, it refashioned the surrounding public space with its presence. Kila suggests that it is a unique type of language without a hint of capitalistic function: “I would say our public area is the most diverse poetry anthology you can walk through. And it’s free for everyone!” Ultimately, its aim is not sell, offer, persuade or bend our wills. Street poetry exists in its own poetic vacuum of visceral emotion and contemplation, igniting thinking and oiling the wheels of reflection. It celebrates the diversity of languages, styles, themes and lengths. Look out for your own moment of poetry, in whatever shape and form. And do not forget to add it to the Straatpoezie map. 
Online only Published: 17-10-2017 // Written by: ADEV
Manifestatie ADEV 2017
Welcome to the underground! We moeten het blijven herhalen, de Nederlandse dance scene is geboren in de underground. Vele huidige ADE goden kregen een kans op plekken ver weg van commercie en regelzucht. In het weekend van het ADE dansen de bezoekers steeds vaker op dezelfde beat en netjes in de maat. Tijdens het ADE zijn het kuddedieren, gaan ze van venue naar venue, als schapen op de Dam. ADEV (Amsterdam Danst Ergens Voor) viert met een lichte tegenzin zijn 5 jarige bestaan, want de Amsterdamse underground staat zwaar onder druk. Dit jaar zal de manifestatie terugkeren naar haar basis, een schel geluid vanuit de underground. Een harde stem tegen de vercommercialisering van de (dans) cultuur in Amsterdam. Op 21 oktober brengt ADEV het ADM naar het centrum van Amsterdam. Het ADM, als voorbeeld broedplaats in heel Europa, wordt na 20 jaar, bedreigd in zijn bestaansrecht. Want waar tegenwoordig alles in euro's word gemeten bewijst ADM al 20 jaar dat zelforganisatie, tegendraads denken en onafhankelijkheid leidt tot een unieke aanvulling op het culturele, artistieke en politieke leven van Amsterdam. Het ADM strijdt tegen erkende vastgoed criminelen. De rechter besluit en de politiek is aan zet. Wij vragen iedereen om zich uit te spreken voor het behoud van ADM, voor het behoud van de underground. Samen met een aantal soundsystems zal deze oerkreet tot ver in de stad hoorbaar zijn. Wil je ook strijden voor het behoud van de ADM, andere inspireren en deel zijn van deze beweging? Kom op 21 oktober dansen tijdens ADEV en laat je horen voor het behoud van ADM, voor Amsterdam, en voor de underground. ADM / Alternative Dance Music / Welcome to the underground! www.adev.nu Facebook event >>> En natuurlijk zijn jullie ook van harte welkom om mee te dansen!
Issue #014 Published: 05-10-2017 // Written by: Jacqueline Schoemaker
DE ONDERGANG VAN HET BOTTOM- UP INITIATIEF
Als je ergens iets leest of hoort over bottom-up initiatieven, dan zijn het altijd ‘burgers’ die het initiatief nemen, nooit ‘mensen’. En een burger is een wezen dat per definitie in relatie staat tot de overheid. Bottom-up initiatieven zijn dus aan de (lokale) overheid verbonden, ze beginnen bij individuele burgers en bewegen zich, zoals het samengestelde woord zegt, ‘up’, richting overheid. Er hangt vaak een zweem van onafhankelijkheid, van vrijheid, rond het in bezit genomen stukje land of het kleinschalige buurtfestival, maar een initiatief dat in zijn kiem een beweging ‘up’ meedraagt, is vanaf zijn ontstaan – of toch vanaf het moment dat de participatiemakelaar er lucht van krijgt – al bezig om onherroepelijk ingekapseld te worden in een of andere vorm van beleid. Overheden zijn dan ook verzot op bottom-up initiatieven. Ze hoeven er niets voor te doen. Burgers komen er vanzelf mee aanzetten. Ideeën voor lokale beleidsvoering, die ook nog eens voortkomen uit wat de bewoners ‘echt willen’, worden hen aangereikt op een presenteerblaadje. En omdat het meestal om sympathie-wekkende acties en evenementen gaat, zoals buurtmoestuinen, local food festivalletjes of pop-up koffiebars, kunnen de rest van de burgers – degenen die zich niet actief organiseren in de buurt – er maar weinig tegenin brengen.  Een ander voordeel dat het bottom-up initiatief met zich meebrengt voor de overheid, is dat het een vorm van controle over de publieke ruimte biedt. Want waar een moestuin is, of een koffiebar, is in elk geval geen onbestemd en dus ‘mogelijk gevaarlijk’ terrein. Bottom-up initiatieven zorgen ervoor dat de publieke ruimte minder publiek wordt, d.w.z. minder toegankelijk voor iedereen. Als een groep mensen ingrijpt in de openbare ruimte om ergens bijvoorbeeld een ontmoetingspaviljoen met koffie te realiseren, is die ruimte niet langer werkelijk openbaar maar heeft hij een doel, is hij ingebed in een georganiseerd geheel.  Dat deze plekken worden afgesloten voor activiteiten die doorgaans door de overheid als ‘niet wenselijk’ worden beschouwd (zoals zomaar wat rondhangen of bier drinken dat je niet op een terras maar in de supermarkt hebt gekocht), is natuurlijk geen toeval. Want wie bepaalt welke activiteiten wel en welke niet mogen worden uitgevoerd op een bepaalde plek, en door welke groep burgers? Juist, de overheid. Een bottom-up initiatief is geen actie van een groep mensen die hoe dan ook, met of zonder instemming van de overheid, plaatsvindt. Dat is eerder een vrijplaats. Nee, voor een bottom-up initiatief is altijd toestemming van de overheid nodig. Zo wordt een bottom-up initiatief per definitie gesanctioneerd door de overheid. En zo zien we dat er van een terugtredende overheid ten behoeve van een grotere ‘participatie’ van burgers eigenlijk geen sprake is. Integendeel, burgers worden door middel van hun zelf aangedragen initiatieven voor het karretje gespannen van het beleid. Inmiddels is het fenomeen van het bottom-up initiatief zelf onderwerp geworden van urban studies, stedelijke innovatiestrategieën en beleidsonderzoek, en is er een nieuwe beroepsgroep ontstaan: de stadmaker. Stadmakers initiëren bottom-up initiatieven en genereren aandacht voor een kleinschalige, betrokken manier van organiseren. Samen met (lokale) overheden onderzoeken zij hun eigen strategieën, een praktijk die op zijn beurt terminologie als innovatie, inspiratie, best practices, communities, empowerment enz. in het zonnetje zet, terminologie die naadloos aansluit bij de top-down beweging waarmee de overheid burgers wil verleiden ‘mee te doen’. Maar hoeveel mensen in een buurt doen er eigenlijk mee aan het ‘redden’ van de publieke ruimte? En hoe zit het met al die anderen, degenen die niet meedoen, die zichzelf geen ‘actieve burgers’ noemen? Hoe zit het met de mensen die liever nog wat onbestemde ruimte overhouden in hun buurt? De mensen die gewoon wat willen rondhangen, of hun bier drinken zonder meer? En de mensen die zich organiseren omdat ze samen iets willen doen, en die er voor waken dat het georganiseerde zich ‘up’ beweegt, de mensen die strijden voor het ‘bottom to stay bottom’ initiatief? Hoe zit het met de mensen die gewoon iets doen, ergens in de stad, en geen overheid die er iets mee te maken heeft? Photo: Jacqueline Schoemaker
Issue #014 Published: 30-09-2017 // Written by: Bart Stuart en Klaar vd Lippe
URBAN BATTLEGROUND NDSM
Aan de noordelijke IJ-oever ligt de voormalige scheepswerf NDSM. Vanaf het centraal station is het 10 minuten op de pont. Het water is altijd een psychologische grens. De plek voelt ver weg, maar is dichtbij.  Tot in de jaren ‘80 werden hier de grootste zeeschepen voor o.a. de Koninklijke Shell gemaakt, de mammoet tankers. Tijdens de bloeitijd werkten hier 9000 mensen. De NDSM was een staatsbedrijf, een afgesloten terrein. Je had er als buitenstaander niks te zoeken. Het industriële complex van grote loodsen, hellingbanen en een kraan raakte in ongebruik nadat in 1983 het doek viel voor de scheepsbouw. Duizenden mensen werden werkeloos. Het werd stil op de werf, de hellingen bleven leeg. Daarna brak er een interessante periode aan. Het gebied verwilderde en obscure autohandelaren, boefjes en scharrelaars namen bezit van het terrein en de lege ruimtes. Spontane ontwikkeling zonder plan of toestemming. De ‘X helling’ is een hellingbaan gelegen aan de voet van de kraan. In die ruimtes van de X helling zaten vanaf 1993 scharrelaars, ambachtsmensen en kunstenaars zoals wij. Zonder beleid, zonder subsidie, hielden zij in zelfbeheer het gebouw overeind. Een culturele vrijplaats met eigen ballotage, zelfbeheer van buitenruimte. We legden zelf de stroom aan, riolering en water. We betaalden huur aan een beheerstichting voor de door onszelf opgeknapte ruimtes. In 2000 ontwikkelde de gemeente haar broedplaatsenbeleid, en de NDSM werd het ‘flagship’. In een grote loods ontstonden creatieve en betaalbare werkruimtes, eerst bevolkt door ambachtsmensen en kunstenaars, die de ruimtes merendeels zelf bouwden, en nu door creatieve ondernemers, juristen, adviseurs, kortom, de creatieve klasse. Het verhaal van Richard Florida kreeg hier gestalte. Het state-led gentrification process dat actief werd ingezet vanaf 2004 drukt arme mensen en kwetsbare ondernemers zonder pardon weg. Wij blijven in de X helling nog enkele jaren buiten schot maar het is wreed om hier als buren getuige van te zijn. Festivals worden steeds commerciëler en grootschaliger. De kraan is met overheidssubsidie herontwikkeld en geprivatiseerd tot een luxehotel (vanaf 400 euro per nacht). Inmiddels is hier het privatiseren van openbare ruimte een understatement. Underground en subcultuur hebben grote moeite om stand te houden. Het experiment verdwijnt en het ruige, wilde gebied wordt aangeharkt.  Er komt vanuit de provincie subsidie voor betonherstel aan ons gebouw, we worden ‘een project’ van ambtenaren. Dan krijgt alles opeens een andere dynamiek. Het op eigen initiatief gemaakte creatieve gebied was in ‘de tussentijd’ eerst gewenst als aanjager voor de commerciële gebiedsontwikkeling, en later werd het alleen nog gedoogd. Nu moeten de ambachtsmensen en kunstenaars ruimte maken voor de “echte” creatieve stad, een hogere klasse die meer kan betalen en dus voldoet aan het profiel van de nieuwe stedeling. Ook Amsterdam Noord is inmiddels het centrum geworden. Met de hoogste grondprijzen en artist impressions van hippe mensen die koffie drinken.  In de zomer van 2017 wordt op het nippertje voorkomen dat we eruit worden gegooid door een interventie van de gemeenteraad. De ambtenaren hebben achter de schermen afspraken gemaakt met marktpartijen voor de commerciële ontwikkeling van ons gebouw. Dat gaat nu ook de raadsleden te ver. Tegen alle verwachtingen in wordt eind juli 2017 de motie met een overtuigende meerderheid aangenomen dat de X helling een vrijplaats moet blijven. “De pioniers die zijn overgebleven moeten we behouden omdat ze bij een echte stad horen,” was een van de overwegingen.  We zijn blij dat er aandacht is voor ons! Tegelijkertijd dienen er een aantal rechtszaken in de stad over de ADM. Ook die rafelrand moet verdwijnen. Oprichting R>A>M>P>  Van ons verblijf op de NDSM in the extra time maken we een studie hoe dat we dit beleven en ondergaan. Post-gentrification action research noemen we dit. We hebben de afgelopen 20 jaar een enorm archief aangelegd van alle stedenbouwkundige plannen, artist impressions en ontwikkelbrochures met NDSM vastgoed porno. Dat archief gaan we publiek maken en actief delen, ook als wetenschappelijke bron. In het najaar start een programma in onze werkruimte waarbij we wetenschappers en internationale gasten laten reflecteren op dit proces. Wat gebeurt er na de gentrificatie met de leefkwaliteit van het gebied? Kan cultuur een blijvende rol spelen? Ook willen we onze eigen aanwezigheid kritisch onder de loep nemen. Het kwam allemaal zover omdat kunstenaars het zo leuk hebben gemaakt. Daardoor zijn de grondprijzen gestegen, toch? Hoe onze toekomst hier eruit ziet weten we niet. De rafelrand die we ooit hebben ervaren is ingesloten door het grootkapitaal. De stad heeft de vrije geest ingewisseld voor de vrije markt en is een bedrijf geworden met corporate strategy cityplanning.  De ontwikkeling stopt niet. Richting Zaanstad, voorheen industrie en ‘achterland’, wordt door het huidige bestuur van de stad een nieuwe ontwikkelingsstrategie gemaakt: ‘Havenstad’. Daarin neemt de NDSM aan de rand van dit plan een bescheiden plek in, het gaat hier vooral over hoogstedelijk wonen: 70.000 huizen in de omliggende gebieden. We zien vooral ‘corporate vastgoed strategieën’ voor luxe woongebieden en gated communities. Waar in dit plan zit het alternatieve Amsterdam, het Amsterdam waar sinds de Gouden Eeuw altijd de culturele impulsen uit zijn voortgekomen die onze stad bijzonder en specifiek maken? Of is de tussentijd de eindtijd gebleken voor cultureel Amsterdam?   R>A>M>P post gentrification action research Bart Stuart en Klaar van der Lippe. X helling NDSM contact: ramp.institute@gmail.com Photos: Philippe Velez McIntyre, B+K
Issue #014 Published: 27-09-2017 // Written by: katerina Gladkova
PROJECT PRIDE: BOSNIAN LGBT SHORT FILM SELECTION PUTS THE LGBTIQ SCENE IN BOSNIA & HERZEGOVINA INTO THE SPOTLIGHT
Four documentaries, each of them unique in style and technique, were screened at De Uitkijk cinema on July 31 as part of a collaboration between Bosnian cinema Kriterion Sarajevo and the Young Urban Achievers Foundation. Queer Sarajevo Festival (2008), Queer React (2015), I know what you are but what am I (2016) and Neizgovoreno (Unspoken) (2016) took the viewers right into the controversy-ridden journey that life represents for any LGBTIQ individual in the conservative climate of Bosnia & Herzegovina.  The first two films, Queer Sarajevo Festival and Queer React, laid bare the social fabric of Bosnia and an emotionally charged battle for recognition of LGBTIQ minorities. Tension and violent confrontations that unraveled during the Queer Sarajevo Festival in 2008 brought it to a halt which is poignantly illustrated in Queer Sarajevo Festival. On a more uplifting note, the film also introduced the unwavering commitment and unassailable hope of LGBTIQ organizations and activists to champion tolerance and inclusivity, despite bitter skirmishes and lack of protection from the state. Queer React showed the evolution of the state’s relationship with sexual minority groups since the festival in 2008 and introduced changes in the Bosnian legislation (such as the law against discrimination) that were the result of public mobilization and campaigning.  Two additional films, I know what you are but what am I and Neizgovoreno (Unspoken) presented intimate portrayals of individual lives, mapped out through art and personal relationships. I know what you are but what am I was narrated through the lens of Chris, a young transgender person who expresses life’s puzzles and realities through art. Neizgovoreno (Unspoken) was constructed from relationships of several Bosnian gays, bisexuals and lesbians with their parents. In the light of occasional unease and misunderstandings, one story stood out: a snapshot into the life of young Nera whose mother fully embraced her daughter’s sexuality exuded hope and earnest love.  Kriterion Sarajevo is a Balkan extension of the Amsterdam based Kriterion projects and just like its Dutch counterpart is entirely run by students. The project in Sarajevo was launched in 2011 after the reconstruction of an old cinema destroyed in the war. In this process, students were collaborating with Young Urban Achievers, an Amsterdam foundation supporting young people with setting up cultural initiatives all over the world. In addition to its cultural mission, Kriterion Sarajevo has also become a beacon of hope for the LGBTIQ community. Being one of merely a handful of venues that identify as “LGBT-friendly”, it works in close collaboration with LGBTIQ organizations on awareness-raising campaigns. In post-screening Q&A Vanja Lazic, director of Kriterion Sarajevo and Danilo Jovanovic, Bosnian filmmaker and former LGBT activist, reflected on the continuing journey to tolerance towards LGBTIQ community in Bosnia. Despite anti-discrimination laws being an integral part of the Bosnian legal code, any attacks against LGBTIQ individuals are interpreted as disruptions of public order rather than hate crimes, and victims’ disenfranchisement bars them from reporting such incidents. Lazic and Jovanovic recognised the hardships of leading a decent life as a sexual minority in Bosnia which justifies the ongoing exodus to Western Europe and the US. But both guests were looking on the bright side despite the mounting doom and gloom, concluding that only by taking small steps in raising awareness and parading visibility, a big shift in public consciousness might be catalyzed.
Issue #014 Published: 21-09-2017 // Written by: Rob Talin
JEFFREY AND CECILIA BABCOCK: ‘SÉANCES’ – RE-WIRING IMAGES IN THE AMSTERDAM UNDERGROUND
Jeffrey and Cecilia Babcock recently released their book ‘Séances’ – Re-wiring Images in the Amsterdam Underground, in which they describe the history of Jeffrey’s ten years’ adventure of Underground Cinemas. This program consists of weekly screenings of movies that were forgotten, censured or otherwise maltreated for years, in a constantly changing list of underground cinema venues in Amsterdam. The book does not only depict a historical archive of the cinema adventure but also of the transformation or disappearance of cultural free spaces in the city due to gentrification processes (at present, one of the venues hosting Underground Cinema, the Spinhuis, is threatened to be closed down). The motivation for Underground Cinema is the ritual quality that watching films together engenders. As the authors write, “Underground is primitive imagination in the caves of deeper dreams (1)”. With the program they aim for people to gather together, quietly and in the dark, and to examine their own way of life in an encounter with something that may be new for them, even if it is only for two hours. I had a talk with Cecilia and Jeffrey about their book and their vision about the future of Amsterdam. R: Could you tell me a bit more about  your book? What does ‘Séances’ mean, for example? J: In French, a séance is a film screening, while in English the word refers to the dark rooms where people come together to conjure up spirits from the past. That’s pretty much the metaphor of cinema for me: we’ve just watched a movie, and though most of the people in it are dead now, we are watching them as if they were alive. It’s about bringing history back to life. C: There’s an element of collective magic: it’s not at all like watching the movie on your laptop screen. There’s a strong element of ritual. J: When I started screening movies, I was thinking about a form of nomadic cinema, which travels around the city, instead of doing screenings in a fixed location. This strengthens the connections within the alternative circuit. So for example when someone comes to De Nieuwe Anita, they can find out about the Vondelbunker, Joe’s Garage, Cavia and all the other underground venues. The book charts the history of this project, from the beginning ten years ago, through the student movement three years ago, up until the present. The book reinforces this nomadic idea, it scatters in many different directions. What we wanted to do, was to open many different possibilities to access underground culture, so the readers can decide what inspires them and what does not inspire them while they go through the book. It’s a series of sparks that can take you in many directions. It was also important for me to document today’s underground scene so that the memories and images stay around at least for a while.  R: Speaking of that, how do you see the future of Amsterdam, in terms of free spaces and cultural gatherings? J: I don’t see a real wave of new things happening, to tell you the truth. But I’m from the ‘80s, which was a very specific time. Some things are happening, a new sort of bottom-up culture is growing in the north of Amsterdam, but much of that is driven by young entrepreneur types. These new initiatives are mostly fashionable and are used to gentrify areas of the city. This is not what my cinemas are about. They’re not just about going to see a movie but about the whole experience and situation involved in watching a neglected or deleted movie, a film with a message. They can be political movies, films about disturbing or unusual topics that are treated with an innovative, different approach. This can provoke a reaction, a debate or reflection. Doing these screenings proves that there is another way of doing things. These ‘alternative-ish’ spaces so in fashion now are not really disrupting anything. Instead, I would like to see a true alternative, in terms of people’s lives. And I think this will arise, because the spirit of Amsterdam as I knew it in the ‘80’s is still here, lingering below the surface. In fact that’s why I can still have the Underground Cinemas in five or six places now (Cinemanita, Butcher’s Tears, Budapest, Film Cavia and Spinhuis). It’s still possible in Amsterdam. C: The main problem is that people don’t see the difference between a pop-up and a squat. This is a shame because right now there aren’t enough people doing stuff with a long-term perspective, without this ‘pop-up frame of mind’, so things cannot survive and persist. I hope that people realize that they can start projects, not for just two months, but for an indefinite time, even if they as individuals can only be involved in them on and off. And I hope that the people who join the alternative scene will really be engaged with it, and not just seeking to fill up their CVs with interesting projects. Sometimes it seems as if people organize pop-up projects so that they can meet like-minded people and build a career for themselves. It would be nicer if they could dream of building a culture for the future instead.  R: So why do you keep on living and working in Amsterdam? Why not relocate somewhere less capitalistic and with more new impulses, like Berlin for instance? J: I’ve seen wild old Berlin cave in to the same blueprint of gentrification as all the other cities across Europe. My cinemas wouldn’t be possible there. For what I’m doing, there’s still more freedom, or more autonomy, in Amsterdam. When I was in London, the squats were totally different from the ones here. Squatters in London didn’t have any legal rights; they could only stay in a space for a couple months, so they never took care of the places at all, and just trashed them. After all, they were constantly pushed around from one place to another. It was chaos. Then I came to Amsterdam and found that people were totally organized. On the Herengracht, where I was living, there was a phone-tree, with which you could call ten numbers, and then those ten numbers would call another ten numbers, and so on. If a squat was in trouble, within minutes you could have a huge amount of people on the street in almost no time. I think that’s the reason why people are still fighting here, because they were always so organized and committed to what they were doing. Séances is available at Fort van Sjakoo, San Serriffe, Boekie Woekie. (1) Jeffrey and Cecilia Babcock, Séances’ – Re-wiring Images in the Amsterdam Underground, Amsterdam 2017, p.17.