Article index
Latest articles
Issue #017 Published: 20-04-2018 // Written by: Roel Griffioen
WW#18 “Ouwe lullen moeten weg”
Ouwe lullen moeten weg Ouwe lullen moeten weg Ouwe lullen moeten weg Ouwe lullen staan alleen maar in de weg —The Rules (Van Kooten & De Bie), 1989 Er bestaat altijd een zekere discrepantie tussen de documenten die uit de ambtelijke papiermolen van een stad komen en de geleefde realiteit van de mensen over wie het beleid uitgerold wordt. Zelden is het gat echter zo groot als sinds enkele jaren het geval is bij het Amsterdamse kunst- en cultuurbeleid. Terwijl de stad de grote trom blijft slaan over creatief “laboratorium” Amsterdam, het bruisende centrum van alles dat hip, vrij en kunstzinnig is, maken de kunstenaars zich grote zorgen over hoe het culturele landschap vanaf de onderkant gestaag afkalft.(1) Voorzieningen verdwijnen, betaalbare woon- en werkplekken worden steeds schaarser, netwerken eroderen omdat vrienden en collega’s naar het buitenland verkassen. Elk debat dat in de hoofdstad wordt georganiseerd rond kunstenaarshuisvesting, atelierbeleid, gentrificatie of de sluiting van presentatieruimte – en dat zijn er nogal wat momenteel – trekt gegarandeerd een volle zaal, als collectieve therapiesessies van een depressief verklaarde populatie van cultuurwerkers. Een van de belangrijkste kwesties waarop zich de ongerustheid van de hoofdstedelijke kunstenaars fixeert, is het broedplaatsen- en atelierbeleid. Voor veel kunstenaars geldt dat een betaalbare werkruimte een voorwaarde is voor de levensvatbaarheid van hun beroepspraktijk. Maar in een stad waarin vastgoed steeds duurder wordt, staat betaalbare ruimte onder druk, en atelierruimte vormt daarop geen uitzondering. Tel daarbij op dat de huren van woningen in de afgelopen jaren ook enorm gestegen zijn (2) en je begrijpt dat steeds meer kunstenaars, jong en oud, in de knel raken. Het broedplaatsenbeleid lenigt de nood naar atelierruimte enigszins, maar op een manier die doet denken aan een soufflé die moet blijven rijzen of bij de minste afkoeling direct inzakt. Er worden steeds meer broedplaatsen geopend, maar omdat de exploitatieperiodes steeds korter worden, zijn er ook steeds meer broedplaatsen nodig om het totaaloppervlakte op peil te houden. Hoe korter de cyclus van het vinden, maken, beheren en weer sluiten van broedplaatsen hoe meer energie en kapitaal ermee verloren gaat. (3) Dan is het ook nog zo dat er grote zorgen bestaan over de consequenties van recente Haagse en Brusselse woonwetgeving voor de ateliervoorraad, en over de manier waarop corporaties, die samen verreweg de meeste ateliers en atelierwoningen in de stad bezitten en beheren, deze regels gaan interpreteren en naleven. Dit alles is in de afgelopen jaren al meermaals en op verschillende manieren geagendeerd door kunstenaarsorganisaties Platform BK en de Kunstenbond en het adviesorgaan de Amsterdamse Kunstraad. (4) Ook andere groepen en organisaties trekken geregeld aan de bel, zoals actieplatform Fair City, diverse bewoners- en huurdersorganisaties en broedplaatsontwikkelaar Urban Resort. Met enig succes lijkt het, want zelfs in het Amsterdamse stadhuis begint het besef door te sijpelen dat een sprankelend ogend kunst- en cultuurbeleid in een stad nogal potsierlijk is als tegelijk kunstenaars vertrekken omdat er niet te wonen en werken valt. De vraag is echter of de voorgestelde maatregelen die bedoeld zijn om de atelierruimte te beschermen en waar mogelijk te creëren, op de lange termijn niet juist een nadelig effect zullen hebben op de stad en de plek van kunstenaars daarbinnen. In dit artikel wil ik het broedplaatsen- en atelierbeleid tegen een kritisch licht plaatsen, waarbij mijn aandacht vooral uitgaat naar de volgende deelonderwerpen: de onduidelijkheid rond de af te spreken ondergrens van betaalbare atelierruimte, oftewel de zogenaamde ijzeren voorraad; de invloed van de Woningwet 2015 en de rol van corporaties in de opvolging van de wetgeving; de gevaarlijke obsessie met ‘doorstroming’ en de invoering van tijdelijke contracten. IJzeren voorraad In de afgelopen vijftien jaar duiken er in de pers steeds vaker berichten op dat er ateliers verdwijnen in Amsterdam omdat de eigenaar, vaak een woningcorporatie, de huur sterk verhoogt of er een gewone, commercieel verhuurde bedrijfsruimte van maakt. Om deze ontwikkeling tegen te gaan of in elk geval te remmen, wordt er sinds enkele jaren gesproken over een zogenaamde ‘ijzeren voorraad’ van ateliers en atelierwoningen die beschermd moeten worden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de grootschalige ateliergebouwen die voortkomen uit de kraakbeweging maar ook individuele ateliers die in handen zijn van corporaties en de gemeente. Tot een inventarisatie die Bureau Broedplaatsen uitvoerde in 2015 en 2016 had eigenlijk niemand een idee om hoeveel ateliers en atelierwoningen het werkelijk ging – ook de gemeente en corporaties niet – maar vandaag de dag is er nog steeds onduidelijkheid over de aantallen die worden gehanteerd. In de door Bureau Broedplaatsen geschreven nota Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018 wordt gerept over 1100 ateliers en 275 atelierwoningen die in bezit zijn van de gemeente en de corporaties. (5) Dat maakt een totaal van 1375 ateliers en atelierwoningen. In de jaarrapportage 2016, gepubliceerd in februari 2017, heeft hetzelfde Bureau Broedplaatsen het echter over een totaal van ongeveer 927 ateliers (het is niet duidelijk of dit inclusief atelierwoningen is). (6) De Amsterdamse Kunstraad zit ergens tussenin de twee aantallen van Bureau Broedplaatsen. Zij spreken van circa 900 ateliers en “tenminste 275” atelierwoningen, hetgeen het totaal op 1175 brengt. (7) Het meest recente cijfer dat rondzingt is dat de ijzeren voorraad bestaat uit 750 ateliers. Dat is een daling van maar liefst 30 procent ten opzichte van de 1100 ateliers die werden genoemd in de broedplaatsennota, zoals Peter van den Bunder van de Kunstenbond heeft voorgerekend. Een uitroepteken lijkt mij hier gerechtvaardigd: Dertig procent! Die daling zit vooral aan de kant van corporaties. Werd hun atelierbezit in de broedplaatsnota nog geraamd op 700, nu spreekt men van 424 (-40%). (8) De getallen die in omloop zijn variëren dus nogal – en zorgwekkender: worden steeds lager. Bovendien kunnen er vraagtekens geplaatst worden bij de cijfers die het Bureau Broedplaatsen van de corporaties aangeleverd kreeg. Het aantal van 275 atelierwoningen klopt bijvoorbeeld niet omdat er in de specificaties per corporatie staat dat De Key 12 atelierwoningen bezit, (9) terwijl één complex dat in bezit is van De Key (het ateliergebouw op de Zomerdijkstraat in de Rivierenbuurt) alleen al 30 atelierwoningen telt. Als dit aantal niet juist is, kan dat dan ook gelden voor de cijfers die de andere corporaties hebben verstrekt aan het Bureau Broedplaatsen? Naar verluidt willen de corporaties geen lijst met adressen overleggen, hetgeen de controle van de doorgegeven aantallen natuurlijk per definitie onmogelijk maakt. Terecht merkte iemand op tijdens het door Platform BK en de Kunstenbond georganiseerde debat ‘Permanent atelierruimte gezocht’ dat de ‘ijzeren voorraad’ steeds kleiner lijkt te worden: “Elke keer lijken er weer een paar ateliers van de lijst gevallen te zijn”. Dat vat het sentiment onder de hurende kunstenaars goed samen: het aanhoudende gebrek aan duidelijkheid werkt in hun nadeel, omdat monitoring zonder duidelijkheid niet mogelijk is en er nog steeds rechts en links ateliers verdwijnen. Als men in elk geval scherp voor ogen heeft wat de totale ateliervoorraad is die in handen is van de stad en corporaties, en waar die voorraad is gesitueerd, heeft de discussie over wat er met die voorraad moet gebeuren ook meer zin. Bij de term ijzeren voorraad, die ik overigens wel zal hanteren in dit artikel, wil ik nog een kritische kanttekening bij plaatsen. De term ijzeren voorraad is ontleend aan de bedrijfskunde waar er de minimale hoeveelheid materialen en grondstoffen mee wordt bedoeld waarmee men een bedrijf of fabriek kan laten draaien. De redenering is dus dat er in Amsterdam een kritiek minimum aan atelierruimte nodig is om te blijven functioneren als stad. Dat is op het eerste gezicht een positief en vernuftig ‘frame’ omdat het de gedachte dat ateliers (en dus kunstenaars) onmisbaar zijn voor een stad als een vooraanname impliceert. Als nadeel heeft het ijzeren voorraad-frame echter dat er een economische legitimering verondersteld wordt: de minimumvoorraad ateliers (en dus kunstenaars) is nodig voor een succesvolle bedrijfsvoering van de B.V. Amsterdam. Uiteindelijk past deze zienswijze dus weer binnen het grotere neoliberale frame dat kunst alleen bestaansrecht heeft als het direct of indirect economisch rendeert. Kunstenaars en activisten in Amsterdam gaan naar mijn smaak te gemakkelijk mee in een economisch discours, terwijl dat discours juist deel van het probleem is – niet van de oplossing. Corporaties en de Woningwet Op de achtergrond speelt een ander en complexer probleem, namelijk dat woningcorporaties sinds 2015 hun sociale en commerciële taken scherper moeten scheiden. In goed Den Haag-speak worden de sociale taken ‘Diensten van Algemeen Economisch Belang’ (DAEB) genoemd en de commerciële taken ‘Diensten van niet Algemeen en Economisch Belang’ (hetgeen wonderlijk genoeg wordt afgekort als niet-DAEB). De Woningwet formaliseert met deze scheiding een eis van de toenmalige Europese mededingingscommissaris Neelie Kroes uit 2009, die, ingefluisterd door de lobby van vastgoedbeleggers, stelde dat als corporaties zich met publiek geld op de ‘vrije markt’ roeren, er sprake is van oneigenlijke concurrentie. Sindsdien geldt dat een corporatie op de markt moet handelen als een volwaardige marktpartner. Daarom is bij het niet-DAEB gedeelte van de portefeuille van de corporaties bescherming en een getemperde prijsstelling officieel niet toegestaan. Deze wet heeft – waarschijnlijk onbedoeld – verstrekkende gevolgen voor de ateliervoorraad in Nederland, om de simpele reden dat veruit de meeste ateliers in handen zijn van corporaties. De sociale kerntaak van corporaties wordt omschreven als het bouwen, verhuren en beheren van sociale huurwoningen aan mensen met een laag inkomen. Daarnaast is er echter in de DAEB-categorie ook enige armslag ingebouwd om “maatschappelijk vastgoed” te houden en “bepaalde diensten voor leefbaarheid” te verrichten. Als voorbeelden van “maatschappelijk vastgoed” worden wijkbibliotheken, scholen en buurt- en jeugdcentra genoemd. Kunnen ook ateliers of atelierwoningen ook in deze rubriek worden ondergebracht? Misschien, stellen sommige kunstenaarsorganisaties hoopvol. Nee, stelt toenmalig wethouder Kajsa Ollongren (D66) onomwonden in een brief aan de Raadscommissie Jeugd en Cultuur uit december 2016: “Er is een definitieve lijst waarin het Ministerie heeft aangegeven wat wel en niet daeb (sic) is. Daarbij is duidelijk: ateliers zijn niet-daeb.”(10) In een brief van Ollongren uit oktober 2016 biedt dan weer enige hoop: “Het ministerie staat toe’, zo lezen we, “dat corporaties deze ateliers in bezit en beheer houden, (…) maar in de huurstelling zijn de corporaties vrij in hun handelen”. (11) Dat correspondeert met wat een medewerker van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (waar Wonen inmiddels in op is gegaan en dat onder leiding staat van, heus waar, minister Kajsa Ollongren) desgevraagd per email stelt: corporaties mogen bestaande kleinschalige ateliers wel degelijk onderbrengen in de DAEB-tak, maar in de toekomst geen nieuwe ruimten als ateliers vanuit de DAEB-tak verhuren.12 Dat geven de corporaties zelf ook toe. Tijdens een bijeenkomst met het veld stelden zij dat ze zelf de keuze hadden hun ateliers en atelierwoningen onder te brengen in de lade DAEB of de lade niet-DAEB. Zij moesten daarvoor voor 1 januari dit jaar hun scheidingsvoorstellen voorleggen aan de Autoriteit Woningcorporaties. Een definitieve beslissing is nog niet gevallen. Waarom is de berichtgeving vanuit de gemeente en vanuit Bureau Broedplaatsen hierover zo verwarrend? Zo zal er van de ijzeren voorraad, nog voordat scherp gesteld is wat die voorraad eigenlijk is, weinig overblijven. De kwestie toont bovendien de ambiguïteit van de taakstelling van de corporaties, waarbij op geheel arbitraire gronden een grens wordt getrokken tussen ‘sociaal’ en ‘vermarktbaar’. Die rigide scheiding roept vragen op, drukt de Amsterdamse Kunstraad eufemistisch uit, omdat het bij het bouwen en beheren van ateliers “gaat om activiteiten die in het kader van de interne markt als economische activiteit worden opgevat, terwijl er in nationale context sprake kan zijn van een publieke of sociale opdracht.” (13) Tegelijk wordt in het midden gelaten wat de consequenties zijn van dit onderscheid. Als de wet naar de letter wordt uitgevoerd, mogen corporaties nieuwe ateliers überhaupt niet tegen een ‘sociale’ prijs verhuren, hetgeen zou betekenen dat de in de stedelijke gebieden gesitueerde ateliers per definitie onbetaalbaar worden voor kunstenaars. Maar de teneur in de cryptische en soms onderling tegenstrijdige ambtsberichten uit het Amsterdamse stadshuis is dat de bal bij de corporaties ligt. Die mogen zelf een lijn trekken. Dit betekent dat hurende kunstenaars – en stedelijke overheden die een minimumvoorraad ateliers willen garanderen – overgeleverd zijn aan corporaties die de keuze zullen maken op basis van hun koers, financiële situatie en goodwill richting kunstenaars. Sommige zullen beslissen ateliers betaalbaar te houden, andere besluiten mogelijk onder het mom van de “wettelijke plicht tot winstmaximalisatie” het atelierbestand als begeerlijke verkoopwaar in de vitrine te schuiven. Zeker in een stad als Amsterdam kan er goed geld verdiend worden met het vrijkomen van al dat centraal gelegen vastgoed. Als de pot honing op tafel staat, vereist het veel zelfbeheersing om er niet af en toe een poot in te steken. Een corporatie waarvan weinig goodwill verwacht wordt door Amsterdamse kunstenaars is De Key. Dat komt omdat de corporatie in de afgelopen jaren enige malen in het nieuws is gekomen op een manier die de indruk wekt dat het kunstenaars liever kwijt dan rijk is. In september 2016 trekt kunstenaar Leo Wijnhoven aan de bel omdat hij door een huurverhoging van de woningcorporatie De Key zijn atelier dreigt te verliezen. “Ik had De Key een e-mail gestuurd omdat ik de stookkosten ineens zo hoog vond,” vertelt de kunstenaar in Het Parool. “Ik kreeg een e-mail terug waarin niet werd ingegaan op mijn vraag. Wel werd – vanuit het niets – gezegd dat mijn huur per oktober van 315 euro naar 550 euro per maand wordt verhoogd en of ik daarmee akkoord ga.” (14) Een jaar eerder komt De Key ook in het nieuws omdat het de ateliers en woningen in kraakmonument De Slang en de andere Tabakspanden in Spuistraat laat ontruimen. Die panden zijn ingrijpend gerenoveerd (gedeeltelijk met sloop en nieuwbouw) en worden nu na de herontwikkeling als “luxe koopappartementen en ruime town houses” voor duizelingwekkende vierkante meterprijzen tussen de 6.500 en 8.000 euro te koop aangeboden. (15) Eveneens in 2015 kon door een bestemmingswijziging van de deelraad De Key ook de atelierwoningen in het cultuurhistorisch belangrijke Zomerdijkcomplex, dat nota bene in 1932 speciaal voor kunstenaars is gebouwd, als gewone woning aanmerken en te koop zetten. Na de verkoop van twee atelierwoningen werd dankzij tegenstand van bewoners het plan om de rest ook de markt op te brengen geblokkeerd, of in elk geval on hold gezet. Vrijgekomen atelierwoningen worden nu onder het CAWA-statuut aan kunstenaars verhuurd, zij het aan kunstenaars onder de 27 en middels een tijdelijk contract, omdat De Key zich wil profileren als “doelgroep-corporatie” voor studenten en starters en geen (!) reguliere huurcontracten meer uitgeeft. De bestemmingswijziging van het gebouw is echter nooit teruggedraaid – dat werd te duur geacht door een meerderheid in de gemeenteraad – dus een garantie dat de atelierwoningfunctie ook in de toekomst gewaarborgd blijft, is er niet. Het is niet mijn inzet om hier het voorbeeld van de De Key te isoleren en in een negatief licht te zetten. Ook van Rochdale is bekend dat zij nieuwe ‘reguliere’ huurders in een atelierwoning hebben gezet, en soortgelijke verhalen kan men ook vinden met betrekking tot andere corporaties. De voorbeelden van De Key illustreren echter hoe groot de impact is als zelfs maar één corporatie besluit, alle afspraken ten spijt, na een koersverandering ateliers af te stoten. Dit toont hoe delicaat het huidige atelierbeleid is. Bovendien doet het de vraag rijzen hoe afspraken – of convenanten, of mortuariums, of gentleman’s agreements – over de ijzeren voorraad kunnen en zullen worden nageleefd, als de stedelijke overheid schijnbaar alleen kan toekijken als een corporatie besluit om het spel niet mee te spelen. Het zou mij niet verbazen als de ijzeren voorraad-afspraken straks te boek komen te staan als een gevalletje ‘too little, too late’. Doorstroming en tijdelijkheid Tot slot wil ik het nog hebben over een laatste zorgwekkende ontwikkeling in het stedelijk atelierbeleid, namelijk de introductie van de termen ‘doorstroming’ en ‘tijdelijkheid’. Dit zijn sinds enige jaren de magische woorden in woonbeleidland en nu worden ze dus ook toegepast met betrekking tot ateliers. Als iemand die geregeld schrijft over het woonbeleid weet ik dat deze woorden niet neutraal zijn maar desastreuze en diep-asociale wetgeving legitimeren. Het woord ‘doorstroming’ wordt vooral gebezigd om duidelijk te maken dat het daar nu juist aan ontbreekt. Sociale huurders zitten te lang op hun plek, daardoor groeien de wachtlijsten en raakt het woningstelsel verstopt, zo luidt de diagnose. Jonge mensen krijgen geen voet aan de grond in de stad. ‘Tijdelijkheid’ is voor dit probleem de geopperde oplossing. Tijdelijke contractvormen met een lage graad van huurbescherming – zeg maar: wegwerpcontracten – moeten ervoor zorgen dat huurders niet te lang op hun plek zitten en dat alles en iedereen vlotjes door het systeem spoelt. Het echte probleem – een grotesk tekort aan betaalbare woonruimte – wordt hiermee niet aangepakt. Integendeel, sociale huurwoningen worden in bulk de vrije markt opgeduwd en verdwijnen dus uit de publieke voorraad. Doorstroming is, in andere woorden, een beleidseufemisme voor een stoelendans waarin iedereen wordt aangemoedigd om op te staan en door te draaien, terwijl er steeds een stoel wordt weggehaald en er dus voor steeds minder mensen plek is. (16) Gij zult bewegen! Een zelfde manoeuvre vinden we nu in het hoofdstedelijke atelierbeleid. Ook daarin wordt gesuggereerd dat de honkvastheid van zittende huurders het probleem is, terwijl er voortdurend betaalbare ateliers verdwijnen en er dus steeds simpelweg steeds minder werkruimte te verdelen is. De eerder genoemde nota Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018, opgesteld door Bureau Broedplaatsen, is een interessant voorbeeld. Vanaf de eerste pagina van de Inleiding wordt er een sterke nadruk gelegd op de instroom van jong talent: creatieve nieuwkomers die worden omschreven als “beginnende artistieke talenten die een ruimte zoeken om zich in Amsterdam te vestigen” of bondiger: “nieuwe ruimtezoekers met een bescheiden beurs”. Er wordt voorgerekend dat er zich jaarlijks tussen de 1000 en 1500 creatief geschoolden zich in Amsterdam willen vestigen. Met die “bescheiden beurs” zoeken ze naast betaalbare woonruimte ook een betaalbare werkplek. (17) Maar die plekken zijn schaars en de reeds hurende kunstenaars zijn niet bereid om door te schuiven naar een ander (en duurder) atelier. Om de toegankelijkheid van de stad te vergroten – “en daarmee Amsterdam te versterken als aantrekkelijke pleisterplaats voor talent en ondernemerschap” – is, u raadt het al, “doorstroming” noodzakelijk. Om dat te bewerkstelligen gaat de gemeente ateliers uitsluitend nog met huurcontracten van vijf jaar werken, die eenmalig met nog vijf jaar verlengd kunnen worden. Bovendien worden corporaties en broedplaatsbeheerders opgeroepen om eveneens “het herzien beleid met de maximale huurtermijn van vijf plus vijf jaar te volgen”, vanuit een “gemeenschappelijk besef van urgentie om nieuwe ruimtezoekende creatieven meer kans te geven op een plek”. (18) Er is niets mis met het accommoderen van instromers, maar de vraag is of de voorgestelde manier omdat te doen nu zo elegant is. Vooral omdat het de status van instromer laat prevaleren boven de status van zittende huurder. Om met de woorden van Claudia Zeller te spreken, die voor het project De Frontlinie al een scherpe analyse schreef over de broedplaatsennota, “het doel is nooit dat de kunstenaars blijven waar ze zijn”. (19) Zij stelt dat in dergelijke beleidsdocumenten de net afgestudeerde kunstenaar – het ‘jong talent’ – gezien wordt als “een grondstof om de stad en de economie draaiende te houden”. (20) Dat wordt ook duidelijk in hoe er geschreven wordt over de huurders van de zogenaamde ‘ijzeren voorraad’. Die stromen het minste door, stelt de nota. Het doorstroompercentage in de broedplaatsen ligt tussen de 5 en 15 procent. Daarbij zijn het vooral de creatief ondernemers die doorverhuizen naar een andere werkplek. Kunstenaars die vrij werk maken zijn “standvastiger”, hetgeen zich dus vertaalt in het lage percentage doorstroming in de ijzeren voorraad. Om de doorstroming te verhogen, zal getoetst worden of de zittende huurders nog wel genoeg kunstenaar zijn. Zo niet, dan komt hun ruimte vrij voor instromend talent. Die regel gaat ook op voor de atelierwoningen, zo staat te lezen: “Ook de zittende huurders in atelierwoningen, die momenteel nog een huurcontract hebben voor onbepaalde tijd, zullen volgens het vigerend broedplaatsenbeleid worden getoetst of zij nog voldoen aan de eisen voor een atelierwoning.” Een complicatie is natuurlijk dat de atelierwoningen vaak ook een sociale huurwoningen zijn. Pleit men hier echt voor het openbreken van doorlopende huurcontracten? Wat mij tegenstaat aan het discours in de broedplaatsennota is dat er – bewust of onbewust – een beeld wordt gecreëerd dat de jonge toptalenten zich verdringen bij de poorten van de stad, terwijl de in artistiek opzicht allang uitgebluste oud-krakers het zich gemakkelijk maken in ‘hun’ betaalbare en gunstig gelegen ateliers. Dit beeld komt zeker niet uit de lucht vallen. Al in 2002 stelt toenmalig Stadgenoot-corporatiebestuurder Gerald Anderiesen dat de Amsterdamse kunstenaars te nest-vast zijn. “Neem die discussie over broedplaatsen, goedkope vrijplaatsen in de binnenstad waar jong talent zich kan ontwikkelen. Ik zou dan zeggen: verhuur die op tijdelijke basis. Op een gegeven moment ben je toch uitgebroed. Dan moet je wegwezen.” (21) Dit is natuurlijk een extreem problematische gedachte. Want wat gebeurt er na de vijf of tien jaar dat een relatief betaalbaar atelier kunt huren? Dan moet je de markt op, zegt de politiek. Klaar om je eigen boontjes te doppen. Als dan ook nog het jongeren- of campuscontract afloopt waarmee je een relatief betaalbare woonruimte huurt, betekent het dat je een dubbele kostensprong wacht: voor een vrije-sector huurhuis, en voor een commercieel verhuurd atelier. Hoeveel kunstenaars is het gegeven dat ze op hun dertigste wel een huis en een atelier kunnen huren voor de woekerprijzen die in Amsterdam gerekend worden? “Maar ze hebben hun kans toch gehad?”, aldus brengen voorstanders van tijdelijke contracten hier graag tegen in. Dat pseudo-meritocratische punt – iedereen begint met dezelfde mogelijkheden – is in mijn ogen een slecht gecamoufleerd neodarwinistisch argument: wie het niet haalt heeft zijn mogelijkheden onvoldoende benut en voor verliezers is nu eenmaal geen plek in de stad. Feit is dat in de kunsten ‘succes’ zelden tot nooit tot uitdrukking komt in een netjes en gestaag oplopende inkomstencurve. Interessant genoeg komt dit ook naar voren in de broedplaatsennota: niet in de lopende tekst, maar in de korte kadertekstjes die het document van sjeu moeten voorzien. Daarin worden gearriveerde kunstenaars geïnterviewd over wat hun werkplek in een broedplaats betekend heeft voor hun praktijk. Verschillende kunstenaars geven aan dat ze, ondanks hun succes, nooit een marktconforme huur voor een atelier in de stad zouden kunnen ophoesten. De zekerheid dat je een atelier hebt waar je niet elk moment uitgezet kan worden, biedt een geïnterviewde fotograaf de mogelijkheid “voor het eerst aan lange termijnplanning” te kunnen doen: Het grote voordeel is dat investeren in de ruimte (met tijd en geld) opeens mogelijk wordt, dat je niet langer vanuit verhuisdozen een atelier hebt, maar vanuit je professionele eisen je eigen atelier [?] kan inrichten. (…) In de praktijk betekent succes in de kunst ook een enorme toename aan kosten. Mijn betaalbare atelier (…) is mij dan ook zeer veel waard. Het is de basis van mijn kunstenaarschap. (22) De invoering van tijdelijke contracten en de nadruk die wordt gelegd op doorstroming, symboliseert wat mij betreft hoe men in Amsterdam zowel bij het stedelijk bestuur als bij de corporaties vooral gericht is op het kapitaliseren van de aantrekkingskracht die de stad momenteel uitoefent op jonge nieuwkomers. Dat zie je terug in de gulzigheid waarmee corporaties – met name De Key en Stadgenoot – kortlopende jongeren- en campuscontracten hebben omarmd, maar ook in de gedrevenheid waarmee de stad enerzijds prijs opstuwende gentrificatiepolitiek bedrijft en tegelijkertijd onvermoeibaar energie blijft pompen in de broedplaatssoufflé. Ook in het atelierbeleid lijkt nu de leidende gedachte dat, om The Rules te parafraseren, ouwe lullen weg moeten omdat ouwe lullen alleen maar in de weg staan. Enkele bij corporaties hurende kunstenaars die ik in de afgelopen maanden heb gesproken beamen dit: “De sfeer is: al die oude krakers en kunstenaars zitten voor een dubbeltje op de eerste rij. Je wordt weggezet als een conservatieve ouwe lul die niet wil wijken.” En ook het ouwe lullen-schap zelf breekt steeds eerder aan. Om een andere kunstenaar te citeren: “In feite betekent [dit beleid] dat als je niet kapitaalkrachtig bent je hooguit tot je 32ste in de stad kan wonen. Voltooid leven voor armlastigen begint bij 32.” Een zinvol en succesvol atelierbeleid richt zich echter niet alleen op wie zich in de stad wil vestigen, maar ook op wie dreigt te moeten vertrekken. Nu het goed gaat met Amsterdam denkt de stad het geheim van de eeuwige jeugd in handen te hebben, maar alas, het gaat hier niet om een onsterfelijkheidselixer maar om plastische chirurgie, waarbij alles dat oud dreigt te worden onverbiddelijk wordt weggesneden. 1) Zie Gemeente Amsterdam, Kunstenplan 2017-2020, Amsterdam 2016. Download beschikbaar via: www.amsterdam.nl/kunst-cultuur/kunstencultuurbeleid/kunstenplan/ 2) De gemiddelde vrijesectorhuurprijs in Amsterdam is 22,28 euro per vierkante meter, meldt verhuursite Parasius. Zie: Tom Damen, ‘Huurprijzen in vrije sector stabiliseren’, Het Parool, www.parool.nl, 3 augustus 2017. 3) Zie Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018, Amsterdam 2016, p. 6. Zie ook de Grafiek ontwikkeling broedplaatsmetrage in Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Jaarrapportage 2016: Bureau Broedplaatsen, Amsterdam 2017, p.6. 4) Voorbeeld is het Manifest behoud betaalbare ateliers in Amsterdam van de Kunstenbond, Platform BK, Loods 6 e.a. van oktober 2016. 5) Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018, Gemeente Amsterdam, 2016, p. 14. 6) Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Jaarrapportage 2016: Bureau Broedplaatsen, Amsterdam 2017. 7) Amsterdamse Kunstraad, Briefadvies over het behoud van ateliers en atelierwoningen, december 2016, zie: https://www.kunstraad.nl/advies/ijzeren-voorraad/. 8) Peter van den Bunder, ingesproken tijdens de commissievergadering Jeugd en Cultuur, 5 oktober 2017. 9) Zie: Kajsa Ollongren, Laatste stand van zaken over inventarisatie ijzeren voorraad ateliers + atelierwoningen, Brief Raadscommissie Jeugd en Cultuur, 24 oktober 2016. 10) Kajsa Ollongren, Advies Kunstraad ‘Behoud IJzeren Voorraad’, Brief aan de Raadscommissie Jeugd en Cultuur, 15 december 2016. 11) Kajsa Ollongren, Laatste stand van zaken over inventarisatie ijzeren voorraad ateliers + atelierwoningen, Brief Raadscommissie Jeugd en Cultuur, 24 oktober 2016. 12) Deze email is verstuurd naar een belanghebbende en ingezien door de auteur. 13) Amsterdamse Kunstraad, Briefadvies over het behoud van ateliers en atelierwoningen, december 2016, zie: https://www.kunstraad.nl/advies/ijzeren-voorraad/. 14) Maxime Smit, ‘De Key verhoogt huur ateliers: ‘Ik kan nu de bijstand in’’, Het Parool, 4 september 2016, https://www.parool.nl/amsterdam/de-key-verhoogt-huur-ateliers-ik-kan-nu-de-bijstand-in~a4369554/. 15) Zie: www.wonenindekeizer.nl/. Zie voor de vierkante meterprijzen ook: Henk Willem Smits, ‘Erik de Vlieger over verkoop Tabakspanden (€7.500 per m2): Amsterdam is verziekt’, Quote, 6 september 2016, www.quotenet.nl/Nieuws/Erik-de-Vlieger-over-verkoop-Tabakspanden-7.500-per-m2-Amsterdam-is-verziekt-184205. 16) Deze metafoor ontleen ik aan de Bond Precaire Woonvormen. Tijdens de huurdersdag op 17 juni in het kader van Flexspektakel Utrecht werd het beeld van de stoelendans gebruikt om het effect van het huidige woonbeleid inzichtelijk te maken. 17) Die cijfers zijn gebaseerd op een onderzoek dat het Bureau Broedplaatsen in 2013 uitvoerde met de dienst Onderzoek, Informatie en Statistiek. Jolien Verlaek stelt in 2012 in Metropolis M dat in dat jaar ruim 1500 bachelorstudenten studeren afstuderen aan de kunstacademies van Nederland in de richtingen Autonome Beeldende Kunst en Vormgeving. Jolien Verlaek, ‘De Club van 1500: Eindexamen 2012 in cijfers’, Metropolis M, 12 juli 2012, www.metropolism.com/nl/features/22936_de_club_van_1500. 18) Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018, Gemeente Amsterdam, 2016, p. 11. 19) Zie: Claudia Zeller, ‘Hand op de knip: Over de economisering van het Nederlandse kunst- en cultuurbeleid’, in: Roel Griffioen (red.), De Frontlinie: Bestaansonzekerheid en gentrificatie in de Creatieve Stad, Amsterdam 2017, p. 151. 20) Idem, p. 153. 21) Geciteerd in: Roel Griffioen, Abel Heijkamp, ‘Woonnomadisme’, in Roel Griffioen (red.), De Frontlinie: Bestaansonzekerheid en gentrificatie in de Creatieve Stad, Amsterdam 2017, p. 49. Oorspronkelijk citaat: Fred van der Molen, ‘“Je moet je voortdurend instellen op een veranderende markt”, Interview: Gerard Anderiesen, van wetenschapper tot directeur’, NUL20, 1 (maart 2002) 1. Anderiesen was tot 1 oktober 2016 bestuurder bij Stadgenoot. 22) Zie kadertekst ‘Lard Buurman – fotograaf’, in: Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018, Gemeente Amsterdam, 2016, p. 9. Illustration: Yuri Veerman  Met dank aan: Platform BK
Issue #017 Published: 18-04-2018 // Written by: Anonymous
Short story: Tram encounters
It is dark outside. I sit in the tram, tired. I stare out of the window absentmindedly. My face is reflected in the window, but I do not see it. What I do see is a woman outside at the station. And a man, a young man with a black coat, seemingly overlapping her. Ah. He is a reflection. Not outside, but inside. The tram begins to move, and we leave the woman behind us. I glance over my shoulder at the seat across the aisle, and at the man in the black coat. Then I look back into the darkness, and at his reflection. He is listening to music. He has a moustache, larger than most, too large almost. It reminds me of a picture of Nietzsche I once saw. His hair is slicked back. There are shadows under the eyes, but without the defeated look of everyday exhaustion that often accompanies such shadows. He is young, twenty-something, and is enjoying his music. His head nods in time with it. He does not close his eyes, but I expect him to. As the woman across from him gets up, he gives a friendly double-wink, closing both eyes for half a second and opening the again to a somewhat distant smile. The tram moves on and he continues to enjoy his music. His attention to the music is now absolute, he nods his head more vigorously, mouths the words. There are brief tremors of ecstasy when favourite passages of the song hit his ears. I am enraptured by his display of free-wheeling passion, so different from faces grey with the everyday I see all around. Now, a boy approaches. Red sweater, jogging pants. He too listens to music. He too nods his head. Their reflections overlap and I wonder – what makes the two so different? The boy in red is young, his face is mild, without dark shadows. He has been spared. And he listens to his music calmly. It does not sink in. His attention is elsewhere. And his passion? I cannot imagine where his passion lies. Behind him, the man in black displays passion. The man in black is no longer in the tram but in his music, and as he realises his stop is near he jerks up, as if disturbed in a dream. As he prepares to get out, he stows away his music player, and gives a few seconds of the everyday. An anonymous person like any other, poker faced. But then - a hint of a smile comes back, and as the tram halts and the doors open, he leaps out in a burst of energy. He is tall, very tall. Two more strides and he is gone. I cannot help but smile. What is it that keeps people alive? It is my stop, and the boy in the red sweater gets off with me. He has a dufflebag slung over his shoulder, and walks normally, without any hurry. Behind me, he telephones. “Yes, grandma?” “So is it ok if I come by for breakfast tomorrow morning? At 10?” “Yes, 10 is good for me, so I can still sleep for a bit.” At 10 on a Wednesday, good student visits grandma. I think of what the man in the black coat will eat for breakfast tomorrow. Somehow, I don’t think that breakfast is something he does. I watch the student who is still a boy turn the corner. In his red sweater and tracksuit bottoms, the clean curly hair and shadowless face, I picture him sitting at breakfast the next day with his grandma. I bet he’s punctual.   Illustration: Marwa Mezher  
Issue #017 Published: 16-04-2018 // Written by: Stella Legioen
Millennials, ga kraken!
‘We zijn sme-rig. We zijn werk-schuw. We zijn lui. We heb-ben ons hoofd in de wol-ken. En we maken alles kapot.’ De woor-den die door de ge-ves-tig-de orde ge-bruikt wor-den om kra-kers zwart te maken zijn in-wis-sel-baar met die die wij mil-len-ni-als naar ons hoofd krij-gen. Aan-schouw de mil-len-ni-al: Heeft een ba-chel-or-di-plo-ma op zak maar rijdt de ganse stad rond om dure maal-tijd-sa-la-des naar yup-pen te bren-gen voor een scha-mel loon om zijn eigen ri-si-co en woe-ker-huur te be-ta-len, moet elke twee maan-den een nieuw huis zoe-ken omdat tij-de-lij-ke wo-nin-gen de enige enigs-zins be-taal-ba-re zijn. Mil-len-ni-als, ga kra-ken. Loop weg van je stu-die-schuld. Haak in met je beste vrien-den en noem ze ka-me-ra-den. Rijd de stad door op je fixie op zoek naar lege pan-den en be-trek ze, op een mooie zon-dag-mid-dag waar-bij je ver-steld zult staan van de groep men-sen die voor de deur blij-ven om de sme-ris op te wach-ten: het zul-len er meer zijn dan het aan-tal vrien-den dat je ‘ik zoek een huis’-be-richt op Fa-cebook zou-den delen. Vind el-kaar in schim-me-li-ge ker-kers, in ro-ke-ri-ge bars in de Spuistraat, in op-roe-ri-ge de-mon-stra-ties, schuif bij el-kaar aan bij volks-keu-kens en deel je laat-ste si-ga-ret na het toe-tje. Vind el-kaar in wat er waar is; het enige wat iets waard is; in de be-reid-heid om er-voor te knok-ken en de we-ten-schap dat je niets te ver-lie-zen hebt dan je huur. Daar in het Maag-den-huis is voor mij en vele an-de-ren met mij de kiem ge-plant van een ver-zet dat we ons leven lang bij ons zul-len dra-gen. Want in de gan-gen van het be-zet-te UvA-cen-trum be-groet-ten we el-kaar – of we el-kaar nu ken-den of niet. Dat maak-te na-me-lijk niet uit. We waren daar en voel-den het-zelf-de: hier ge-beurt iets, dat op-recht is. Hier wordt een waar-heid ver-de-digd. Hier pra-ten we niet over het weer, maar over hoe we ter-rein kun-nen win-nen in een sa-men-le-ving die ons weg-drukt. Re-vo-lu-ti-o-nai-re plan-nen sme-den was het nieu-we small talk. So-li-da-ri-teit het nieu-we in-di-vi-du-a-lis-me. Ver-zet het nieu-we se-ries kij-ken. En we leer-den een waar-heid die niet meer af te leren is, na-me-lijk dat de enige ma-nier om in dit sys-teem vrij te zijn, er-te-gen vech-ten is. Niet meer on-com-for-ta-bel zijn, in al je com-fort, maar an-ders-om: com-for-ta-bel on-com-for-ta-bel; op een cam-ping-mat-je de sme-ris op-wach-ten en je vrij-er voe-len dan ooit. Mil-len-ni-als, ga kra-ken. Ver-ruil je col-lec-tie vin-ta-ge-schat-ten voor ge-reed-schap en do it yourself. We heb-ben het in-ter-net, dus we weten hoe we wa-ter-lei-din-gen aan moe-ten leg-gen en poe-pen op je zelf aan-ge-slo-ten wc gaat nooit ver-ve-len. Wees alert op con-su-men-tis-me: kill the shop-per in your head. Meu-bels en kle-ren vind je op straat. Laat alles ach-ter wat niet in de ge-leen-de bak-fiets past. Het zal een be-vrij-ding zijn. Het enige wat je echt nodig hebt is me-de-stan-ders en wij zijn le-gi-oen. Mil-len-ni-als, stop met se-ries kij-ken in een door je beeld-scherm ver-lich-te kamer en ga kra-ken: het beste amu-se-ment is je eigen bed bou-wen uit pal-lets en de mooi-ste ge-sprek-ken heb je niet op Fa-cebook maar onder een bouw-lamp met je nieu-we huis-ge-no-ten. Ga voor je pand-je zit-ten en praat met de buren. In de so-ci-a-le huur-wo-nin-gen in je straat zit-ten bond-ge-no-ten ver-scho-len die je meu-bels en rest-jes pasta zul-len bren-gen in ruil voor een goed ge-sprek of het lenen van je ac-cu-boor. Kies je pan-den po-li-tiek: vecht met tan-den voor dat ene huis-je van Ymere dat in de ver-koop wordt gezet en mis-schien dan, over een jaar of tien, zijn er nog so-ci-a-le huur-wo-nin-gen over om je kra-ker-s-pen-si-oen in uit te zit-ten. Laat de rijke mas-to-don-ten niet alles van je af-pak-ken maar vecht terug. Zij aan zij met je nieu-we ka-me-ra-den en je nieu-we bond-ge-no-ten. Mil-len-ni-als, ga kra-ken. We weten al-le-maal in wat voor we-reld we leven: een we-reld waar-in al het avon-tuur kapot is ge-maakt. Ver-wel-kom het laat-ste avon-tuur: die we-reld ka-pot-ma-ken en een be-te-re schep-pen. Je zult in je op straat ge-von-den spie-gel kij-ken en weten: ik heb het goede ge-daan. Ik heb er-gens in ge-loofd en ik heb niet op-ge-ge-ven. En één och-tend, als de kof-fie prut-telt op de kook-plaat en de zon schijnt op je voor-ge-vel, zul je weten: dit is hoe het leven ge-leefd moet wor-den, in de tocht-ga-ten van het sys-teem, want al-leen daar hangt nog een fris-se bries.
Issue #017 Published: 05-04-2018 // Written by: Clara Davies
Minds Of Amsterdam
Minds of Amsterdam is a new AA column in which Clara Davies lets us meet a different artist working in Amsterdam each time. This might be someone she’s randomly encountered, someone who has triggered her curiosity or has somehow impressed her. It could be a painter, designer, musician or photographers – it doesn’t matter as long as she or he is a soul whose creative work adds a touch of magic to this world. The purpose? Using AA as a platform where people and art can meet. Enjoy! GHOM  GHOM: A woman, and three men; A viola, a synth, a cajon and an electric guitar. Their music genre? Alternative rock, experimental-folk as eclectic as the nationalities of this combo. Their presence on stage? Strong and distinct, with a pinch of glitter and a Breton cap.  Their debut album ‘A Debate About A Lobster’ was released February 8th – and it is a combination of cool and moving. You can find them playing in venues all around town, and you’ll easily spot me on the side of the room stomping my feet and holding a beer. GHOM, that’s a fun band name! What does it mean and where did it come from? Me (Roberto) and Maya, the viola player, we’re music partners since when we were living together in Istanbul, so our home was actually our music studio. And the same happened here in Amsterdam, where we find ourselves both rehearsing and composing mostly in our living room. We tried to find something that sounded funny, and Dutch as well, with that typical G rough phonetic. And ta dah: GHOM came out! What are you trying to express through your music?  Since we played together in Istanbul, our music was always a lot about the feeling of the moment, somewhat bringing up emotions and memories, something which is very common in the middle-east and less in center/north Europe. So I think we try to keep this mix - of warm, strong, powerful emotions, served with a cold climate :) besides, I don’t think we try to express much. Express ourselves, our love to music and to playing together, and try to reach people’s stomach and heart.  Your nationalities are as eclectic as your music. How did you come together? I am originally Italian and Maya is from Israel, but she’s been studying and making music in Holland for years. We originally met in Turkey, through another band which we were founders of, MavaRoz from an art collective based in Cihagir. Once we moved to Amsterdam, we met Ali by chance, who is from Istanbul but lives here. David is British and joined us by becoming the last piece of the puzzle.  David and I currently work in the same company.  You have developed a very peculiar sense of style on stage – why is that? Personally, I like to wear different costumes and put make up on. In addition, I like to hear magic but also see it on stage. I think it makes everything more fun and special. Music, performance, these are all forms of unordinary communication, something which stands-out from the daily routine. Weird leggings, masks and of course – glitter, we LOVE glitter. We need to be sincere on stage, that’s where the style plays a role. Pick one word that defines the essence of GHOM. More than one person defined us as ‘Apocalyptic’ during our performances. I’d say that is quite accurate and suits as well. Word on the street is you recorded your first album, how was that? We recorded in a very strange place, a temporary warehouse where I was living for a month, which to our convenience happened to have a mixer and monitors. So we called some technician friends from The Hague and they recorded us live. In a 4 hour, one-take session, we managed to record all of the 8 tracks of our debut LP called “A Debate About A Lobster”. It felt like going through a twin pregnancy at the time, but we made it! We decided to distribute the album as an artwork package made of a booklet that you can color as you feel (one color for each song) and a GHOM logo USB keyring. It definitely felt like we were making something god out of all these sounds we blow in the air.  What are the biggest advantages in your opinion to having your band based in Amsterdam over any other city? Amsterdam is sort of a no-man’s land, so you feel free here to do anything you like. It is also inspiring to be surrounded by many great musicians from all around the world, and so be able to swim between so many styles and scenes in one small place.  We thought this could be a fertile terroir for something like GHOM. What happens next – in music and in life? Now we’re trying to contact indie music labels, booking agencies and festivals, both abroad and around the Netherlands so we can get finally rich and famous and start making families. All the package of adult life. Enough of punk life! More info about GHOM: https://ghom.bandcamp.com facebook.com/GHOMband goghom.weebly.com
Issue #017 Published: 29-03-2018 // Written by: Jess Henderson
FIGHT CONSUMERISM. SOCIALISE!
The pull of consumerism is everywhere. We are bombarded with messages seducing us to buy. They incept us with the notion that possessing things confirms our success, confirms we are doing okay. They ensure that things will bring us happiness. Smart phones have given marketeers a direct channel to our emotions around buying. A direct channel to our attention – through a device designed to addict us.  Resist Resist the message to buy. Resist the temptation to spend money. Get off the couch. Get out into the world where social interactions relieve the emotional tensions advertisers play on. The ultimate anti-consumerist move is to socialise. “Refuse to isolate yourself.”  John Waters during his spectacular 2015 RISD graduation speech on creative rebellion. “...the whole selfie, internet narcissism trip – they’re training people to stay inside.”  Genesis Breyer P-Orridge in conversation with Douglas Rushkoff on Team Human, Dec 2017 “Distraction is a corporate neutralising agent. Distraction and isolation. Subvert these control mechanisms.” V Vale on NTS radio show Lucifer over Los Angeles, Dec 2017. Socialise We are lucky to have spaces in Amsterdam that allow us to simultaneously resist consumerism while still socialising. These spaces are our beloved autonomous spaces. Places that de-commodify social relations*. Places that are hubs for actual interaction and creation.  The places that make up the Amsterdam Alternative. *To put it in Marxist terms, in these autonomous spaces we are no longer subject to the law of value. Why autonomous spaces are important Within our daily lives, most of our social interactions have become determined by money. We spend much of our time and creative energy making money so we can pay rent, buy groceries, be insured, and what’s left is ‘free time’. In our ‘free time’ we tend to come together in places where social interactions are still determined by money. For generations before us, socialising happened more at home. But as our apartments shrunk and our society became less collective, we began to meet outside the house. Cafés, bars, restaurants, commercial music venues and cinemas – in all these places there is a clear producer-consumer exchange. We consume a cup of coffee, drink a beer, or watch a band play, while someone is earning money from their production, and our consumption, of them. Somebody who probably would not be there doing this if it were not for the wage earned. Not in autonomous spaces. Autonomous means free to act independently. It means self-run and self-governed. It means not-for-profit. Autonomous spaces are important as meeting places where people can break through their individualised existence and share knowledge, ideas, and desires. The ‘continent’ notion in this Donne quote touches on what makes autonomous spaces work – and important. To be aware of, and be part of, a larger whole contributes to our feeling of connection to that continent, and thus we become conductive to a sense of responsibility to maintain it. “No man is an island, entire of itself; every man is a piece of the continent, a part of the main” From ‘No Man Is An Island’ (1624) by British poet John Donne (We don’t see this piece in full often enough) These spaces are yours The live shows, the festivals, the screenings, the discussions, the VoKu’s... all of these are there for YOU. These spaces are made possible by volunteers, purely for the love of protecting our cultural spaces and filling them with life and life-fuel.  Harness them and dive into all they have to offer. Escape the monoculture rampant in our city, subvert control mechanisms, counter consumerism, and come home to places that want you and need you. Essentially Not every city has havens that actively subvert consumerism – ours does.  All we have to do to protect them, is go there.  Written by Jess Henderson of Outsider, an initiative for offline action. Do you have thoughts? Comments? Send them to yes@outsider.works   Illustration: Cris Kuhlen
Issue #017 Published: 22-03-2018 // Written by: Eoin O’Cunningham
Entertaining Mr Sloane, #metoo and heteronormativity
In 1967 the Parliament of the United Kingdom passed the Sexual Offences Act – an act that decriminalised same sex relationships in England and Wales. This was later implemented in 1980 in Scotland and 1982 in Northern Ireland. In the Netherlands it was 1811, with protection against unfair dismissal coming here in 1994. Meet Sloane, Kath, Kemp and Ed. It’s East London. It’s 1964. Same-sex sexual relations are punishable by prison and murder by hanging. Homosexuality is considered a mental disease, curable via electric shock treatment, hallucinogenic drugs, brainwashing techniques and aversion therapy such as when victims are shown photos of same sex relations while being given vomit-inducing poison. In 1960’s Britain, sexual harassment against women is commonplace in work and domestic environments with no legal framework existing to protect against instances of unwanted sexual advances and touching of any kind. Rape was not criminalised until the 1956 Sexual Offences Act, the production and consumption of child pornography not being banned until the Protection of Children Act 1978, and it was 2003 when an explicit definition of ‘consent’ was legally operative. The question is: how do people cope when the forms of harassment and abuse that they are being exposed to do not exist in legislation or in public discourse? Or when the words to describe the forms of abuse cannot be accessed by the victim for historical or social reasons? How does this enable the behaviour of the abusers? How does it compound victims’ misery? And how do silently operating forms of sexual abuse manifest in what is understood to be ‘normal’ and ‘deviant’ behaviour? Recently, the #metoo movement has catapulted these questions into mainstream public discourse. With their production of Entertaining Mr Sloane, Mike’s Badhuistheater provide a time and a space in which questions around sexual control, intimidation and violence can be confronted and debated. After all it is the realm of acting and theatre that has provided the context for the #metoo movement. The Welsh cultural critic Raymond Williams developed a term to understand lived practical experiences of dominance and oppression. He called it a structure of feeling. It refers to the tension that victims of race/sex/gender/class/age-based violence experience socially. Williams argued that when the affected lack the vocabulary to describe and diagnose their oppression or when it is not available to them, they engage in practical and impulsive solutions to resist against it. US feminist Patricia Hill Collins suggests that the victims of racial, gendered and sexual structural-violence have a complex and nuanced understanding of their situations, the likes of which their oppressors will never be able to achieve. The perpetrators of oppression also enact a structure of feeling as they view their harmful behaviour as morally justified and normal. For example, the majority of White people in the US supported Jim Crow segregation (1). The majority of British people supported colonialism and the majority of Dutch people supported the enslavement of kidnapped Africans in the Caribbean. To contextualise this today, the #metoo movement is overwhelmingly constitutive of the disclosure of the victim’s experience of sexual violence, while the perpetrators are silent hiding behind the structures of permissible, plausible and natural “doe even normaal”-mentality. Entertaining Mr Sloane is a play that offers an insight into sexual control and the consequences of heteronormativity (2) in 1960’s Britain and how it contoured the behaviour of a working class family and their new lodger, Sloane. It reveals both the visceral and torturous mechanisms of control and discipline enforced by the State and the intricate forms of resistance and power wielded by those who seek to fulfil deviant and stigmatised pleasure seeking. Kath’s love affair with Sloane is an attempt at resisting the constraints imposed on her as a working- class woman, domesticated, maltreated and tyrannised by Ed and her father, Kemp. Ed’s sexual desire for Sloane must be concealed, his hegemonic masculinity, machoism and bravado always on show in order to conceal detection. The fate of course is incarceration, institutionalised abuse and psychological treatment, the same treatments that we assume have shaped Sloane’s madness as he navigates life parentless, pornographic, depraved and dishonest. Entertaining Mr Sloane is often read as a play about dysfunctionality, but how do the characters function inside a system that is designed to hinder their sexual fulfilment? They function on levels that are designed to avoid stigmatisation and the labelling of deviance. In this sense, it should instead be read as a critique of the functionality of heterosexuality. The impulsivity of the characters’ behaviour is done to avoid the tension, unease, stress and displacement created by heterosexual relations being favoured at every institutional juncture. The play provides an insightful example to consider how unarticulated lived tension manifested in 1960’s Britain and how it may be unfolding today differently for specific people in particular places.   1) Jim Crow laws were state and local laws that enforced racial segregation in the Southern United States. Enacted by white Democratic-dominated state legislatures in the late 19th century after the Reconstruction period, these laws continued to be enforced until 1965. They mandated racial segregation in all public facilities .... 2) Heteronormativity is the belief that people fall into distinct and complementary genders (male and female) with natural roles in life. It assumes that heterosexuality is the only sexual orientation or only norm, and that sexual and marital relations are most (or only) fitting between people of opposite sexes. A “heteronormative” view therefore involves alignment of biological sex, sexuality, gender identity and gender roles. Heteronormativity is often linked to heterosexism and homophobia. ----------------------------- Coming soon in the spring Mike’s Badhuistheater presents The Good Soldier Švejk by Hasek. Directed by Mike Manicardi. “The Good soldier Svejk” by Jaroslav Hasek (1883 – 1923) is a theatrical Adaption by Mike Manicardi performed by the Badhuistheater International. Set in 1914 in Czechoslovakia at the end of the Austro Hungarian Empire, and the beginning of the First World War 1914-1918. Jaroslav Hasek was a satirical genius in his attempts to achieve Cz independence, and also attention for Cz language. His long and episodic novel, “the good soldier Svejk” (the most translated Cz novel into 60 languages) follows the life and fortunes of Josef Svejk, a dog thief and lover of life, who is forced to join the Austro Hungarian Army for a 2nd time in their war against Russia. The Cz battalion travels across Hungary and into now Southern Ukraine and Poland, where Svejk manages to confuse and create chaos for all his betters. He also has papers that he is an official Idiot. Manicardi played the part of Svejk himself some years ago in a very successful production. He has rewritten his play, to get it even closer to the original novel, and produces it now for his company the Badhuistheater International. His company has had recently great success and sold out audiences, with Blackadder , ‘Allo ‘Allo, and the O’ Casey Dublin Trilogy of Plays. The performance is in English, with some Czech, German, Russian and Hungarian. Hasek was a Czech writer, humorist, satirist, journalist, bohemian and anarchist. He is best known for his novel The Good Soldier Švejk, an unfinished collection of farcical incidents about a soldier in World War I and a satire on the ineptitude of authority figures. The novel has been translated into about 60 languages, making it the most translated novel in Czech literature. He is also known as the Obscure Czech Writer. Photo: Lulu Lightning
Issue #017 Published: 20-03-2018 // Written by: Geert Lovink
Let’s talk about social media
“Don’t cry because it’s over, smile because it happened.” Dr. Suess In early 2018, social media criticism has reached a new stage. In past months, voices from deep inside the IT industry have made themselves heard. The suspicion against Google and Facebook started with Russia’s alleged interference in the 2016 US presidential elections and social media manipulations through ads and changes in algorithms. Then founding president Sean Parker admitted that Facebook purposely gave users a short trigger, outed as “addiction by design”. Parker: “It’s a social-validation feedback loop... exactly the kind of thing that a hacker like myself would come up with, because you’re exploiting a vulnerability in human psychology.” Next to come out was Justin Rosenstein, inventor of the Facebook ‘like’ button, who compared Snapchat with heroin. And Leah Pearlman, a member of the same team, who admitted that she too had grown disaffected with the ‘like’ button and similar addictive feedback loops. And then there was Chamath Palihapitiya, another former FB executive, who claimed that “social media is tearing society apart,” recommending people to “take a hard break.”  These developments lead to the founding of the Center for Humane Technology, a creation of early employees at Facebook and Google, “alarmed over the ill effects of social networks and smartphones, banding together to challenge the companies they helped build.” (New York Times).  The centre plans an “anti-tech addiction lobbying effort and an ad campaign at 55,000 public schools in the United States.” In response Facebook itself announced a Community Leadership Programme. All this culminated in an unlikely place, not OT301 or Pakhuis de Zwijger, but the World Economic Forum in Davos, where billionaire-philanthropist George Soros attacked the “monopolistic behavior of the giant IT platform companies.” According to Soros social media companies deceive their users “by manipulating their attention and directing it towards their own commercial purposes. They deliberately engineer addiction to the services they provide. This can be very harmful, particularly for adolescents.” Soros sees similarities between Internet platforms and gambling companies: “Casinos have developed techniques to hook gamblers to the point where they gamble away all their money, even money they don’t have.” The most interesting prediction Soros made relates to the slow demise of the US tech giants from a global perspective: “Internet monopolies have neither the will nor the inclination to protect society against the consequences of their actions. That turns them into a menace. The owners of the platform giants consider themselves the masters of the universe, but in fact they are slaves to preserving their dominant position. It is only a matter of time before the global dominance of the US IT monopolies is broken.” None of the above directly or indirectly refers to the earlier social media critiques. Over the past years many have expressed concerns about the violations of privacy, the silly ‘friends’ category, the absence of the ‘dislike’ button and the take-over of news. The discontent varied from the Europe Against Facebook campaign, to Tim Berners-Lee, the inventor of the World Wide Web who repeated warned against social media monopolies. The current uprising of former employees can also be related to the small library of critical voices, from Nicolas Carr (The Shallows), Evgeny Morozov (The Net Delusion), Andrew Keen (The Internet is not the Answer) or Shirley Turkle (Alone Together). Most academic research on social media seems to have virtually no impact on the overall sentiment. Why get upset about Silicon Valley geeks and investors displaying such arrogance, they are the cyber lords, after all? The engineering dissidents of today kept their mouth shut for years, and are still deeply involved in the business, together with new teams of investors and consultants. Why should we give precisely them credit to develop less harmful alternatives?  What should our next steps be? Are you still on Facebook? Would you consider taking part in a Facebook Farewell Party? So far, Western-European activists have shown not much interest in ‘platform capitalism’: they are tired because they are wired. Most NGOs and social movements no longer employ their own servers and infrastructure and have become completely dependent on cloud-based services and social media platforms. The independent infrastructure of bookstores, print shops, paper magazines and book publishers has all but disappeared. As a result we find dozens of Facebook-only websites of initiatives that fight racism, colonialism and gender inequality who remain silent about their own channel of distribution. It is mostly the under-20 age bracket that leave Facebook. We can analyse such inconsistencies in the autonomous worldview until we drop dead, the good news is that finally times are changing. It’s pointless to say: “We told you so.” The fear of committing ‘social suicide’ may be irrational but for some of us loneliness and social isolation are all too real. We need to take back our own responsibility to build and maintain networks, and not leave that task to centralized platforms. How can we scale up and democratize all the debates and proposals of the past 5-7 years of those that worked on alternative network architectures? Is the reasonable, noble and moral appeal, made by engineers, the only one on offer? Doing digital detox and going offline is in fact an option only elites can afford. Hipster-mindfulness and self-mastery suggested by the likes of Peter Sloterdijk is no more than a marginal reform effort from a hyper-individualistic neo-liberal perspective. If offline is the new luxury, as the VPRO Tegenlicht television documentary was called, how else can we politicize the ‘social media question’? What’s not yet explored are large-scale cool campaigns that give people an opportunity to delete Facebook accounts. This is in the end what Silicon Valley tries to prevent at all cost: mass resistance and mass exodus. The demand for working alternatives is being heard. The momentum is there. Migrate to Diaspora, create your own newsletters, let’s organize our networks and create concrete ways out—together. If you’d like to know more, please subscribe to the Unlike Us mailinglist: http://listcultures.org/mailman/listinfo/unlike-us_listcultures.org.   
Issue #017 Published: 11-03-2018 // Written by: Fair City
“Amsterdam naar 2 miljoen inwoners?” Zef Hemel’s hipstertheorietjes leiden tot de dictatuur van het Kapitaal!
Afgelopen maand is er in de stad en in de media veel te doen over de explosief toegenomen drukte én over het feit dat de stad enorm moet groeien om deze problemen het hoofd te bieden. Heel groot moet het worden, om de druk beter te verdelen. Ook in de gemeenteraad horen we op verschillende momenten en bij alle partijen: Bouwen, bouwen, bouwen! Maar voor wie? Voor wie bouw je de stad? Wie komen er te wonen? En wat als je niet zo grootschalig tekeer gaat?  Adviseur van het huidige stadsbestuur en hoogleraar Zef Hemel komt afgelopen week op de gemeentewebsite met prachtige sociale verhalen om deze geprojecteerde groei te onderbouwen. Hij ziet zelfs een stad van 2 miljoen mensen ontstaan. “We moeten DROMEN en groot durven denken!”  Dit wordt vervolgens gelegitimeerd met een heel arsenaal aan modejargon: van de inclusieve stad; de open stad, een gastvrije stad voor iedereen; stad in balans; duurzame stad tot en met bestrijding van de eenzaamheid aan toe. “Hoe meer mensen, hoe minder eenzaamheid”. Ook de 17 miljoen toeristen per jaar die Amsterdam nu bezoeken zijn in deze analyse onderdeel van de oplossing: met meer inwoners komt de stad beter ‘in balans’. Hoogleraar Hemel was jarenlang als planoloog in dienst bij de gemeente. Hij zat maar liefst tien jaar in de directie van de dienst die de stad ontwikkelt. Die grote ambtelijke dienst is gaan dromen over de aantrekkelijke stad en is daarbij de realiteit helemaal uit het oog verloren. Het gaat ons niet om deze man, maar om wat hij representeert en met deze hipstertheorietjes ook legitimeert. Het uitgebrachte advies over groeien naar 2 miljoen inwoners is geen serieus alternatief voor Amsterdam maar een rookgordijn om een neoliberale stadplanning te rechtvaardigen. Planologie is blijkbaar geen wetenschap maar meer een soort verzameling van hipstertheorietjes ter ondersteuning van het heersende marktdenken.  Dat moet anders! Over welke stad hebben we het eigenlijk? Amsterdam is een metropool, wordt gesteld door dezelfde ruimtelijke planners en politici. Volgens Faircity zijn er inmiddels twee steden, een groeiende stad voor de rijken en een krimpende stad voor de lagere inkomens. Het stadscentrum heeft een grote aantrekkingskracht op internationaal kapitaal en investeerders. Dat ontstond niet vanzelf. Onder burgemeester Van der Laan is massief ingezet op het verbeteren van de positie van de stad ten opzichte van internationale competitie. Dit programma heette TOPSTAD. De stad werd een succesvol merk (I-amsterdam) met een citymarketingbudget van in totaal 100 miljoen euro. Om je vingers bij af te likken. Zo wordt de stad een consumptieartikel, lekker aangekleed met Zef Hemel’s hipstertheorietjes. Dat resulteert nu dus in een monocultuur van geld. Ook woningen zijn handelswaar geworden. De dominante functie in het straatbeeld is vertier en consumptie. “De grote vloek der saaiheid”, noemde stedenbouwkundig criticus Jane Jacobs dit. Wat voor stad willen we zijn... en groei, groei waarvan? Zuigt Amsterdam de rest van het land leeg? Deels wel; delen van Nederland krimpen terwijl een aantal steden, waaronder Amsterdam, groeien. Grotendeels ook niet, want de grote instroom van Amsterdam komt uit het (westerse) buitenland. Deze groep koopt al enkele jaren het merendeel van de woningen op, ook in de 19de eeuwse wijken. Op het grootste deel van de Amsterdamse woningmarkt heeft het grote geld nu vrij spel; zowel in de koopsector als in de particuliere huursector wint de hoogste bieder. Ondanks alle modieuze begrippen van de afgelopen jaren, zoals ‘de ongedeelde stad’, wordt de kloof tussen rijk en arm steeds groter en schrijnender. Dit is een groot gevaar voor de sociale samenhang in de wijken maar ook voor de stedelijkheid zelf. Wat kunnen we doen? Ingrijpen in de huidige woningmarkt is minstens zo belangrijk als het bouwen van meer huizen. Stop nou eindelijk (na meer dan 20 jaar!) met de verkoop van sociale huurwoningen (meer dan 32.000 zijn er inmiddels verkocht). Pas op de particuliere huursector weer de regels toe van huurhoogte en inkomen; maak er een beschermde sector voor middeninkomens van. Zonder deze ingrepen is nieuw bouwen dweilen met de kraan open: er verdwijnen meer betaalbare woningen dan je tegenop kunt bouwen. Stop met de verkoop van gemeentelijk vastgoed. Hiermee kunnen we een tegenkracht organiseren door op plekken in de stad te sturen op diversiteit en betaalbaarheid. Zo wordt de stad geen slachtoffer van haar eigen succes. Door het activeren van een tegenmacht gaan we de zelfvernietiging van diversiteit tegen. Als we dat niet doen, wat houden we over? Monocultuur!  Dat laten we niet gebeuren. www.faircity.amsterdam Wil je in gesprek over jouw Amsterdam? Kom op 11 maart vanaf 15.00 uur naar ons lijsttrekkersdebat in de tuinzaal van de Tolhuistuin in Noord. Faircity en verenigde huurdersorganisaties organiseren op die dag een debat tussen burgers, politici en experts over hoe de stad weer van haar bewoners wordt. Waar welvaart en welzijn weer in balans komen, en we niet zelf op de vlucht hoeven voor het kapitaal. Die stad is van ons!
Issue #016 Published: 05-03-2018 // Written by: Jacqueline Schoemaker
Wie is ‘wij’?
Het zijn altijd mensen die een norm opleggen – politici, analisten in de main stream media – die zeggen dat ‘we’ iets niet of wel ‘moeten willen met z’n allen’. De persoon spreekt niet alleen zijn/haar eigen visie uit, maar verbindt daar in één adem aan dat iedereen (‘allen’) hetzelfde zou moeten vinden. ‘Allen’ wordt onderworpen aan de visie van die ene persoon, terwijl de boodschap van die persoon wordt verpakt als een collectieve uitdrukking. Een individueel iemand vindt iets, en spreekt in naam van mij, zonder mij te vragen wat ik er eigenlijk van vind, en wekt daarbij de indruk dat ik mij achter zijn/haar visie schaar. Er is volgens mij geen grotere dooddoener voor de diversiteit.  Een andere uitdrukking, die op hetzelfde neerkomt, is de door dezelfde mensen vaak uitgesproken opvatting dat iemand (of liefst een hele groep mensen) moet kunnen ‘meekomen in de maatschappij’. Wat betekent dit eigenlijk? Wanneer kom je ‘mee in de maatschappij’? Als je een baan hebt? Op vakantie kunt gaan? Er min of meer dezelfde denkbeelden op nahoudt als degene die deze uitspraak doet? Wie bepaalt voor mij dat ik moet meekomen? Waarmee? Het feit dat ik er ben, in deze maatschappij, betekent al dat ik er onderdeel van uitmaak. En meer valt er niet over te zeggen. Tenzij degene die vindt dat anderen ‘moeten meekomen in de maatschappij’ eigenlijk wil zeggen dat die anderen meer zouden moeten handelen zoals hij/zijzelf. De anderen moeten een lesje leren over normen en waarden, en degene die de uitspraak doet, voelt zich bevoegd dit lesje te geven. Het zijn altijd anderen die ‘moeten meekomen in de maatschappij’. Niemand zegt dit over zichzelf. Zo is ‘de boze burger’ ook altijd een ander. Of de mensen die ‘gekwetst worden door zwarte piet’. Of ‘groepen die onder de armoedegrens leven’. Iemand die onder de armoedegrens leeft, zal het nooit hebben over ‘groepen die onder de armoedegrens leven’. En ‘wij’? ‘Wij’ is genoeglijk ‘met z’n allen’. Of ‘het rijke Westen’. Of ‘normaal’ (de grootste dooddoener van allemaal). Maar ik (blank en hoog opgeleid) ben ook een boze burger. Ook ik word gekwetst door zwarte piet. Ik ben niet met z’n allen maar alleen, en in het beeld van het rijke westen herken ik mijn eigen ideologie maar half. Ik hoor bij de anderen. Je est un autre. Er spreekt niets dan uitsluiting uit deze woorden, deze labels. Ze zijn normatief, en het is duidelijk waar de norm ligt en wie hem bepaalt.  De ‘I’ in het ‘Iamsterdam’-logo is bijvoorbeeld bijzonder misleidend. De gemeente wil dat het logo het symbool van de stad en haar inwoners is, maar waartoe verhoudt ‘I’ zich hier? De metershoge letters staan permanent opgesteld voor het Rijksmuseum; soms bij bepaalde andere gebouwen, zoals het (koloniale) Tropenmuseum; en nooit op andere plekken, zoals een woonstraat waar geen vertier is. Deze hiërarchie laat duidelijk zien waar het stedelijk belang ligt. En de inwoners worden via ‘I’ gebruikt om een verhaal van identiteit te vertellen waar ze voor een groot deel zelf geen boodschap aan hebben. ‘Iamsterdam’ is selectief, strategisch en normatief, op geen enkele manier inclusief. Ik ben al heel lang niet meer in het Rijksmuseum geweest, zoals zoveel inwoners van de stad. ‘Iamsterdam’ is duidelijk het symbool van de Amsterdamse toeristenindustrie. Met de ‘I’ van inwoner heeft het bitter weinig te maken.   
Issue #016 Published: 01-03-2018 // Written by: Cody Hochstenbach
Uitsluiting door gentrificatie
Door de steeds grotere woningcrisis gentrificeren de grote Nederlandse steden in rap tempo. Dit proces neemt in Nederland echter andere vormen aan dan in Engeland of de VS. Waar in deze landen sprake is van directe verdringing op de woningmarkt zien we in Nederland eerder het tegenovergestelde: mensen met een sociale huurwoning verhuizen steeds minder omdat de alternatieven onbetaalbaar zijn. Medio 2017 kwamen de Amsterdamse woningprijzen voor het eerst boven de vier ton uit. Een toename van €120.000 in twee jaar tijd. Een nieuw record. De hoofdstad raakt steeds verder losgezongen van de rest van het land. Ook in andere grote en middelgrote steden stijgen de woningprijzen bovengemiddeld snel. De recente prijsstijgingen zijn een teken van de toenemende populariteit van de stad. Tegelijkertijd belichamen ze een nieuwe, steeds diepere wooncrisis – een crisis van onbetaalbaarheid en ontoegankelijkheid. Binnen steden zorgt deze hoge druk voor gentrificatie. Oude arbeiderswijken worden populair bij de middenklasse, woningen worden opgeknapt en tegen de hoofdprijs verkocht, en hippe horeca vestigt zich in de buurt. Voorheen was gentrificatie een kleinschalige tegenbeweging, maar inmiddels is de gentrificatie alomtegenwoordig. Stadsbesturen doen er alles aan de hoogopgeleide middenklasse aan zich te binden, en gentrificatie speelt hierbij een sleutelrol. Markt en staat zorgen er voor dat gentrificatie over de stad uitgesmeerd wordt. Gentrificatie: zelfde begrip andere uitwerking Ook de term gentrificatie zelf is inmiddels gangbaar geworden. Toch bestaat er nog veel verwarring over gentrificatie en haar gevolgen. Dit vloeit voort uit het feit dat we veel van onze kennis over gentrificatie geïmporteerd hebben uit Engeland en de Verenigde Staten – Londen en New York in het bijzonder. Meer dan in Nederland, deelt de markt daar de lakens uit. Ook qua wonen. In deze liberale Angelsaksische landen gaat gentrificatie hand in hand met harde, directe verdringing. Gierige huisbazen en speculerende vastgoedbonzen gooien de huren omhoog en verjagen zo de arme oude bewoners uit hun buurt. Omvangrijk corporatiebezit en huurbescherming zorgen er voor dat dit in Nederlandse steden gelukkig veel minder voorkomt. Oude bewoners kunnen blijven wonen waar ze wonen, ook wanneer de gentrificatie in hun buurt de overhand krijgt. Het is mooi dat we verdringing doorgaans weten te vermijden. Uitsluiting in plaats van verdringing Het gebrek aan grootschalige directe verdringing, zorgt al snel voor de conclusie dat gentrificatie positief uitpakt voor zowel rijke nieuwkomers, als arme oude bewoners. De buurt wordt namelijk opgeknapt en zittende bewoners hoeven niet te vertrekken. Deze redenering is echter te simpel. Verdringing door gentrificatie blijft dan wel beperkt in Nederlandse steden, uitsluiting door gentrificatie is aan de orde van de dag. Door gentrificatie worden woningen nadat ze vrijkomen vaak onbetaalbaar. Sociale huurhuizen worden verkocht aan de hoogste bieder of verhuurd tegen de hoge marktprijs. De toegankelijkheid van de betaalbare huursector gaat zienderogen achteruit. Zo nam in Amsterdam tussen 2007 en 2015 het aantal nieuwe toewijzingen van sociale corporatiewoningen met maar liefst 37% af: van 9.657 naar 6.050. Een gigantische afname in kort tijdsbestek. Daarnaast verdwijnen de meeste vrijkomende particuliere huurwoningen in de dure vrije sector. Dit is zeker niet alleen maar het gevolg van gentrificatie, maar het proces levert wel een directe en belangrijke bijdrage. Zolang je op dezelfde plek blijft wonen is gentrificatie geen probleem Voor zittende bewoners hoeft dit allemaal niet erg te zijn. Zo lang zij goed zitten, gaat de gentrificatie grotendeels aan hen voorbij: hun huur stijgt slechts geleidelijk en van mogelijk huisuitzetting is geen sprake. De buurt om hen heen verandert wel, en er zijn zowel oudgedienden die de veranderingen waarderen als hen die buurtverlies ervaren. Maar wanneer zij moeten of willen verhuizen, werpt gentrificatie steeds grotere barrières op. Gezinsuitbreiding, echtscheiding en baanverlies maken verhuizen noodzakelijk. De huidige woning wordt namelijk te klein, te groot, of simpelweg onbetaalbaar. Maar gentrificatie maakt het lastig of onmogelijk een andere, betaalbare woning te vinden. Ook voor nieuwkomers betekent gentrificatie minder woonkansen, en dus meer uitsluiting. Mensen blijven gedwongen op hun plek In plaats van meer (gedwongen) verhuizingen heeft gentrificatie in Nederlandse steden daarom het tegenovergestelde effect. Het aantal verhuizingen neemt er juist door af. Huishoudens met een laag inkomen komen steeds vaker klem te zitten in hun woning. Dit zien we duidelijk in Amsterdam: het aanbod van betaalbare woningen krimpt, en de verhuiscijfers onder sociale huurders kelderen. Een wrang neveneffect is dat hun blijvende aanwezigheid – uit noodzaak geboren, alternatieven zijn schaars – aangehaald wordt om de gevolgen van gentrificatie te bagatelliseren. Bevolkingsverandering in de buurt gaat er immers minder snel door, waardoor het allemaal wel mee lijkt te vallen. Verhuizen: betalen of de buitenwijk Voor huishoudens die toch verhuizen – zowel nieuwkomers als oude bewoners – zijn de gevolgen van uitsluiting divers. Een daarvan is de suburbanisatie van armoede: Deze lage inkomens vinden geen plek meer in de stad, maar wijken uit naar nabijgelegen kernen. Anderen blijven wel in de stad wonen, maar moeten daarvoor grotere offers maken. Ze moeten genoegen nemen met een te kleine woning, ze moeten de woning delen met anderen, of simpelweg hogere woonlasten accepteren. Waar Amsterdamse sociale huurders in 2009 nog 33% van hun inkomen kwijt waren aan huur, daar was dit in 2015 opgelopen tot 38%. Verdringing mag dan nog wel beperkt zijn in Nederland, uitsluiting door gentrificatie blijkt een geduchte vervanger. Nog wel. Het afbreken van huurbescherming en flexibilisering van de woningmarkt maken directe verdringing een steeds waarschijnlijker toekomstbeeld. Cody Hochstenbach is stadsgeograaf aan de Universiteit van Amsterdam. In 2017 promoveerde hij cum laude op zijn proefschrift Inequality in the gentrifying European city. “Uitsluiting door gentrificatie” werd eerder gepubliceerd in Sociale Vraagstukken, 4 september 2017  www.socialevraagstukken.nl Opgenomen met toestemming van Cody Hochstenbach en Sociale Vraagstukken.  
Issue #016 Published: 26-02-2018 // Written by: Denis McEvoy
The Brexit delusion and Amsterdam
This is how it tends to work: The government changes social laws and economic regulations supposedly improving life for all of us, particularly for those who are not super wealthy. Yet in reality, something else happens. At first, no one notices. Then life slowly becomes less livable . It becomes harder to buy a house. Finding decent work becomes more difficult. If one does find work, the monthly paycheck has to stretch further and further. Health insurance provides less and costs more. Meanwhile, benefiting from a range of incentives, companies move in from abroad bringing literally hundreds of well-paid, mostly foreign, workers with them. The logic goes that foreign investment is good for the economy. In a sense this is true, the economy benefits overall. But most ordinary people see their protections rolled back while deep-pocketed foreigners come in and drive up the cost of everything from housing to childcare.  People become frustrated. For aspiring politicians it’s tempting to work with frustrations because they seem to represent problems. But politicians must be careful to avoid simplistic Brexit-style analyses of complex problems. The Brexit delusion suggests that the decline in your quality of life is not because the neoliberal policies of economic deregulation and the dismantling of the welfare state but because of an influx of foreigners. So the proposed solutions to our problems become more and more simple: blame the foreigners. It’s far easier to run an election campaign blaming foreigners for every problem than it is to tackle difficult questions. It’s less interesting to campaign on the idea that complex social, political and economic forces have caused governments to shy away from policies that involve any form of wealth redistribution and favour economic deregulation instead. The trouble is that today’s political problems are more complex than ever while people’s appetite for easy answers has only increased. The late ‘90s — buoyed by the birth of new democracies around the world and an internet-driven economic surge — seemed like everything was going to be okay, helping to lull a lot of people into a political sleep. Now, spurred by problems at home and abroad, many have awoken and are all too ready to believe complex problems should have simple solutions. Brexit was born from a belief that complex problems should have simple solutions: things aren’t going well; there are problems with the EU; there are a lot of foreigners in the UK; politicians, rich people and media types typically ignore our concerns or call us racist, so let’s leave the EU... Amsterdam would do well to heed such muddled over simplifications. Housing appears as a major issue in the manifestoes of many of Amsterdam’s political parties. Affordable housing is drying up and moneyed expats are paying insane rents, driving the prices even higher. Many who can afford it are buying second properties and profiting from the squeeze by renting them out on airbnb or similar services. The Brexit-delusion offers a simple answer to this complex mess: there are too many expats and tourists in the city and if only we could go back to how things were 20 or more years ago, everything would be fine. Meanwhile in reality, Amsterdammers, foreign and native-born alike, need to stand up for the rights of their fellow citizens. We need more affordable housing. We need more incentives to help families stay in the city centre. We need to continue the great Dutch egalitarianism that sees rich and poor living in close enough proximity to understand each other, and put the brakes on the current forces that are creating a city centre of ‘haves’ and outskirts and satellite towns of ‘have less’. Honestly assessing who plays the biggest role in these problems is step one. Should we blame foreigners, many of whom have lived here for a long time and contributed hugely to their communities. Or should we look at the complex combination of ill-advised government policy and opportunistic housing corporations? Because while the ‘old’ foreigners may have contributed more and integrated better than many of their ‘new’ counterparts, their new counterparts are often being routinely screwed by housing corporations who care not one jot about their living conditions as long as the mammoth rent comes in every month. Well-paid foreigners aren’t more appealing as tenants simply because they have a lot of disposable income, they also rarely know their rights as well as the natives and many housing corporations understand this and prey on it. And, just like the Brexit delusion, the terrifying risk is contagion. Sure, expats don’t love being picked on as a problem but they still enjoy a certain privilege. Refugees and other vulnerable foreigners are also demonized when the Brexit delusion spreads.  Simplistic answers lead to simplistic answers. Just like Brexit, the frustration can be turned easily onto other people who have even less to do with the problem and are in even less a position to do anything about it. Some people actually believe refugees choose to flee their homes and everything they care about to go to a country they don’t know, where they don’t speak the language just so they can get discounted social housing. People already believe this and their numbers will only grow, with racism (if you prefer ‘bigotry’ or ‘prejudice’ that’s entirely on you) following close behind.   Amsterdam has been a magnet for people from all over the world throughout its long proud history. It has shaped and been shaped by its status as a truly diverse, open and cosmopolitan city. Celebrating Amsterdam’s spirit of internationalism, the Badhuistheater will bring tales from England and the Czech Republic to stage in the first half of 2018 – each a comment on the lives of ordinary people as history grinds on around them. We’ll keep bringing our Dutch neighbours and our international friends of all ages together to enjoy the rare beauty of live theater.  We hope to see you there.          
Issue #016 Published: 15-02-2018 // Written by:
De ‘nacht voor de nacht’ een platform voor de nachtcultuur van Amsterdam
Op 24 februari vindt de ‘Nacht voor de nacht’ plaats en wordt de nieuwe nachtburgemester gekozen. AA sprak met Ella Overkleeft over deze avond en de activiteiten van Stichting N8BM A’dam. De nacht voor de nacht wordt georganiseerd door de Stichting N8BM A’dam. Kun je kort uitleggen wat die stichting doet? Stichting N8BM A’dam is opgericht in 2014 en zet zich in voor een veilig, divers en creatief nachtleven. De onafhankelijke stichting is de schakel tussen de gemeente, ondernemers, bewoners en bezoekers van de stad. We geven gevraagd en ongevraagd advies. Wij signaleren trends en ontwikkelingen in het nachtleven en organiseren bijeenkomsten en evenementen ter stimulatie van de dialoog. Daarnaast zetten wij onderwerpen op de politieke agenda om echt verandering teweeg kunnen brengen. Mirik Milan is sinds 2012 nachtburgemeester van de stad en ik ben er in 2013 bij gekomen. In 2014 hebben we samen de stichting opgericht en sindsdien zitten we beide in het dagelijks bestuur. De stichting is opgericht om het nachtburgemeesterschap te professionaliseren en daadwerkelijk invloed uit te kunnen oefenen. De stichting bestaat uit een dagelijks bestuur, raad van toezicht en nachtraad. Daarbij hebben we ook een Club van 100 opgericht. Alle clubs die meedoen aan de ‘Nacht voor de Nacht’ zijn hier lid van, maar een ieder die affiniteit heeft met het nachtleven kan zich hiervoor aanmelden. Het is de backbone van stichting, financieel en qua netwerk.  Er wordt 24 februari een nieuwe nachtburgemeester gekozen. Hoe gaat dat in zijn werk? Ja klopt, die zullen plaatsvinden in de Marktkantine. Alles hierover staat op onze website, we zijn hier heel transparant over. Wat is de taak van de nachtburgemeester? Het gaat vooral om signaleren, verbinden en agenderen. Het nachtleven heeft vaak een slecht imago, men ziet alleen maar de risico’s en lasten. Met name vanuit de gemeente berust er vaak een stigma op de nacht. Gelukkig is er vooruitgang, mede door wijlen Van der Laan, die wel begreep hoe belangrijk de nacht voor een stad is. Als nachtburgemeester is het je taak om de positieve kanten en kansen van het nachtleven uit te lichten en te delen met mensen. Het nachtleven is meer dan alleen maar dansen en drinken, daarom spreken wij ook over ‘nachtcultuur’. In de nacht wordt gebroken met alledaagse conventies, denken mensen in mogelijkheden en daardoor is er ruimte voor creativiteit. Het nachtleven is vaak een voorloper, waar de dag nog veel van kan leren. De meeste van onze lezers zullen de nachtburgemeester associëren met het commerciële uitgaanscircuit en niet met de alternatieve non-profit plekken die bij Amsterdam Alternative zijn aangesloten, is dat terecht?  Nee dat vind ik niet. Het nachtleven van Amsterdam bestaat uit verschillende scenes en wij zijn er voor iedereen. Wij maken onderdeel uit van een Europees project genaamd ‘Enter The Void’ dat zich inzet voor het gebruik van urban space voor underground jongeren en subcultuur. Hiervoor zijn wij op grote schaal bezig met het gentrification vraagstuk dat in alle westerse steden speelt. In het buitenland leren wij over hoe andere steden omgaan met deze problematiek. Ook hebben we onlangs een event (in Sexyland) georganiseerd voor meer experiment in de stad. Er waren verschillende groepen jongeren en politici aanwezig om mee te praten.  Ook zat ik onlangs in een panel over het behoud van de NDSM, en heb ik binnenkort een afspraak met een projectontwikkelaar daar. Zo zijn we altijd bezig om te zien waar er mogelijkheden liggen in de stad en waar we invloed op kunnen uitoefenen. Wij vinden het heel erg belangrijk dat er laagdrempelige, vrije plekken blijven bestaan in de stad.  In hoeverre is de alternatieve scene gebaat bij een nachtburgemeester en de stichting N8BM?  Wij geloven dat elke scene gebaat is bij een nachtburgemeester. Maar de tijd is beperkt en er zijn honderden thema’s waar je je mee bezig zou kunnen houden. Daarom is het belangrijk dat mensen van zich laten horen, wat willen zij op de agenda zetten van de nachtburgemeester? Kijk naar de gewone burgemeester die houd ook rekening met de behoeften van de inwoners van de stad. Bottom-up citymaking is volgens ons erg belangrijk. Wij hebben inmiddels een groot netwerk opgebouwd en kunnen de stem versterken van een ieder die dat wil. Wat vinden jullie van de alternatieve scene in Amsterdam? Wij vinden dat deze best wat groter mag groeien. Amsterdam heeft de neiging om zich als monocultuur te ontwikkelen. Dit is niet per se alleen gaande in het nachtleven, het is onderdeel van een grotere sociaal-maatschappelijke ontwikkeling. Wij supporten alle DIY initiatieven. Deze initiatieven zijn belangrijk voor de stad en laten aan jongeren zien dat het ook anders kan. Wij zijn nauw betrokken bij de ontwikkeling van het nieuwe evenementenbeleid voor Amsterdam. Hier pleiten wij voor meer aanwas van onderaf. Biedt ruimte voor alternatieve projecten en niet alleen aan de grote reuzen.  Wat vinden jullie van het toenemende toerisme en gentrificatie in Amsterdam? Wat heeft dat op de langere termijn voor effect op de zogenaamde ‘creatieve’ stad? Wij geloven dat culturele diversiteit goed is voor sociale inclusiviteit. Ik maak me persoonlijk zorgen over het ontstaan van een monocultuur, waarin verdraagzaamheid richting anderen ver te zoeken is. Wat betreft het toerisme geloven wij dat sustainable tourisme, kwalitatief toerisme beter is voor een stad, geen consumentisme. Een gemeente zou zich hier op kunnen focussen door het beleid aan te scherpen. Meer geëngageerde bezoekers levert een ander soort dynamiek op tussen de inwoners en bezoekers van een stad. Met onze stichting focussen we daarom altijd op kwaliteit. Een club met eigen programmeur is bijvoorbeeld van meer waarde voor de stad dan een verhuurschuur. Dus waar geef je gezien de beperkte ruimte de voorkeur aan? Dat soort dingen moet je je als gemeente afvragen.  Wat heeft het gebrek aan vrijplaatsen en autonome zones voor effect op Amsterdam? We stonden ooit bekend om het liberale ruimdenkende karakter maar dat brokkelt steeds verder af. We worden steeds bureaucratischer en conservatiever. Diversiteit veranderd langzaam maar zeker in een saaie monocultuur. Is dat niet zorgelijk?  Ja dit is zorgelijk. Als nachtburgemeester (lees onafhankelijke stichting) heb je de mogelijkheid om de luis in de pels van de gemeente te zijn, tegen het beleid in te gaan en zaken als autonome zones op de kaart te zetten. Ik was laatst nog te gast op ADM dus de connecties zijn er zeker. Wij proberen met alle betrokkenen de dialoog aan te gaan. Volgens ons is een dialoog nodig om tot resultaten te komen. Wij verbinden partijen met elkaar, zodat men samen sterker kan zijn. Wat ik gemerkt heb is dat voorstanders van vrijplaatsen in de stad nogal gefragmenteerd zijn en los van elkaar actie voeren. Ik geloof dat dit sterker en georganiseerder kan. Fair city is bijvoorbeeld een mooi initiatief en volgens mij groeit die organisatie flink. Dat zegt dat het de mensen bezig houdt en zorgen baart. Daarom heb ik ook wel vertrouwen in een tegenbeweging. Het lijkt vaak alsof de politiek geen lange termijn visie heeft en vooral bezig is met het scoren op korte termijn. Doordat alles steeds duurder wordt en er straks geen plekken meer zijn waar jong talent zich kan ontwikkelen en kan experimenteren verdwijnt er steeds meer creativiteit en diversiteit uit de stad. Denken jullie hier ook over na? Zeker, en op verschillende vlakken zetten wij ons hier voor in. Wij zijn bijvoorbeeld bezig met een project voor etnische inclusiviteit tijdens uitgaan, want er wordt nog steeds gediscrimineerd. Het nachtleven is vaak niet anders dan de dag, maar er is gelukkig meer plek voor experiment en progressiviteit dus daar moeten we gebruik van maken om verandering teweeg te brengen. Er zouden wat ons betreft ook meer kleine clubs met 24 uurs vergunning moeten komen. Plekken die toegankelijk zijn en waar experiment mogelijk is. Zijn er dingen die jullie missen in het Amsterdamse uitgaansleven? Of dingen die radicaal anders zouden moeten? Ja, het nachtleven is teveel gesegregeerd. Inclusiviteit is een heel belangrijk thema. Dat willen wij ook doorgeven aan de nieuwe nachtburgemeester.  Een van de dingen die jullie doen is het organiseren van de ‘Nacht voor de Nacht’. Wat is dat voor avond en wat is het doel ervan? We willen vooral een platform bieden aan de nachtcultuur van Amsterdam. Met name het uitlichten van de nachtclubs die de foundation vormen van het nachtleven van een stad en dé plek zijn voor talentontwikkeling, creativiteit en subcultuur. Dit jaar zijn de thema’s van de ‘Nacht voor de Nacht’ vernieuwing en talentontwikkeling. Dat zijn mooie thema’s. In hoeverre is er nog vernieuwing? En wat gebeurd er tegenwoordig aan talentontwikkeling in de stad? Er is altijd vernieuwing, net zoals dat verandering de enige constante factor is in het leven. Er zijn heel veel jonge promotors met hun eigen concepten aan de weg aan het timmeren. Zij zorgen voor constante vernieuwing maar zijn ook altijd op zoek naar hun plek in de stad om hun achterban op te bouwen en zich verder te ontwikkelen. Mensen beseffen vaak niet wat voor belangrijke drive het nachtleven is voor de totale creatieve industrie, van fashion, tot aan reclame, het is allemaal verweven met het nachtleven. Vanuit een andere invalshoek is het nachtleven ook de plek voor nieuwe en onconventionele ideeën. Ik hoef denk ik niet uit te leggen dat bijna alle subculturen uit de nacht ontstaan zijn uit een vorm van activisme, het afzetten tegen de maatschappij waar in geleefd werd (house muziek, jazz etc.). Dit kan nog steeds! Ook al lijkt het soms alsof het allemaal 1 pot nat is. Ik bedoel, kijk naar jullie krant en alle activiteiten die in lijn met dit gedachtengoed worden georganiseerd. Neemt niet weg dat ik wel vind dat er in de huidige populaire cultuur meer ruimte mag zijn voor activisme. Maar als we dit ergens gaan vinden is het waarschijnlijk in de nacht. Van wie moet de vernieuwing in een stad komen? De gemeente, jullie stichting of van kleine initiatieven en mensen die durven te experimenteren? Natuurlijk van onderaf. Maar je hebt de top-down structure ook nodig om het te kunnen faciliteren. It works both ways. Daarom is die dialoog zo belangrijk. Je zult tijd en energie moeten steken in het aangaan van het gesprek en mensen inzicht proberen te geven in hetgeen jij belangrijk vindt. Tijdens de nacht voor de nacht zal er aandacht zijn voor het multidisciplinaire aspect van clubs. In hoeverre zijn clubs multidisciplinair? Wat zou er verbetert kunnen worden? Een club is alleen al multidisciplinair als je kijkt naar de organisatie: decor, lichtman/vrouw, dj/vj etc. Het is een podium waar je van alles kunt programmeren en uitproberen! Dat is toch helemaal geweldig. Met ‘Nacht voor de Nacht’ willen wij de clubs uitdagen om naast hun muziek programmering iets extra’s te doen, denk aan bijvoorbeeld een performance of een lichtinstallatie. Juist omdat er zoveel ruimte in de stad verdwijnt zijn clubs belangrijke plaatsen voor experiment. In clubs is vaak de ruimte voor jongeren/subculturen om zich te uiten en ontwikkelen. Wat voor andere projecten kunnen we verwachten van de stichting in 2018? Een project voor meer etnische inclusiviteit in het nachtleven (samen met het MDRA Meldpunt discriminatie Ams) Een project tegen het homogeweld. Een Nachtdebat, een aantal weken voor de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart. Nacht voor de Nacht 2019. Verder is het aan de nieuwe n8bm om zelf haar/zijn eigen projecten te ontwikkelen.  24 februari 2018: Nacht voor de Nacht Platform voor Amsterdamse nachtcultuur, met 1 kaartje naar meer dan 25 clubs. 24 februari 2018 Nachtburgemeester verkiezing www.facebook.com/events/136265767053204 Iedereen kan nog stemmen nachtburgemeester.amsterdam/stem2018/ Voor meer info:  http://nachtburgemeester.amsterdam
Issue #016 Published: 05-02-2018 // Written by: Driekus Goeileven
Circular Living. An ADMer’s Guide to Spiritual Survival in Amsterdam’s Political Wastelands.
The ADM, an old, abandoned shipyard in the industrial desert to the west of Amsterdam, is home to all kinds of birds, trees and other plant-and animal wildlife as well as a flourishing, self-organised community of artists, artisans and other such people as don’t fit the current economical paradigm.  A practical and well-functioning little ‘anarchist’ society if you will, though ‘anarchism’ has somewhat lost it’s meaning here for lack of it’s opposite. Now, obviously, the existence of such a place does not sit well with proponents of the idea that the world should be first and foremost a profitable place. Prolonged existence of ADM may well induce some to re-evaluate their profit-seeking values. Which is not generally a profitable thing to do. Killing the forest and evicting its inhabitants generally is. Unsurprisingly, the ‘profiteers’ as we shall call them here, whilst essentially subscribing to the same world-view, do not necessarily agree on whom the world should be profitable to. From this rather inevitable discord politics and banking, religion and other forms of violence sprang forth, as did the current-day battle over ADM. Towards the end of the year 2017 some of us found ourselves attending a public hearing at the Amsterdam City Hall, the stated goal of which was to provide clarity on the meaning of a single clause in the original contract of purchase of the ADM-terrain.**  It was the peculiarly insincere behaviour observed in some of the city Councillors during this hearing that inspired the author of this piece to try to find some reasonable, preferably widely-applicable explanation for said type of behaviour, and to share his findings in the essay below. May it serve to enlighten those who, like the author, are oftentimes baffled by the intricacies of the profit-seeking mind. The first question was... why Seeing, from up-close, these so-called politicians, lying flat out, blind and deaf (or even violent) to anything that doesn’t suit their intended results, or hearing them accuse others of doing what they themselves were in that very moment extremely guilty of, both surprised and saddened me. As a human being, I was expecting other human beings, no matter their faults, to possess or at least to portray some semblance of decency, dignity, or honesty. I was mistaken. How could this be? Are they not human? Where is their spirit? Love? Why do they not care? The answer to these questions was, at first, equally surprising. Then I remembered what i had previously learned about modern day economics. Introduction to the circular ‘economy’ To the result-oriented mind, life is simple. What do I want? I want to feel great! The quickest and therefore best way to meet this target is of course cocaine. Readily available, in quantities large and small, it is a reliable source of ‘feeling great’. However, as always, there is a catch. Money. In order to obtain coke, one needs cash, dough, dollar or some such substance. Money, for the sake of this article, was invented to make sure everyone, that is, everyone who is or wants to be a Someone, will receive his or her fair share of cocaine, provided they are willing to do whatever it is that will make those who produce money, or have lots of it, willing to part with some of it. Since cocaine is an expensive commodity, we can rule out ‘an honest day’s work’ to be an efficient way of providing sufficient funds to keep on ‘feeling great’. We need to up our game a bit.  History and the world around us teach the observant and the subservient alike  that services such as lying, cheating, banking, and lawyering are highly valued by those who are in a position to allocate funds. It may seem funny that it should be this way, but keep in mind that this system has been going for a while, and those doling out the credits are more than likely liars, bankers and lawyers themselves. They are simply trying to re-create the world in their own image. A very human thing to do. Now, for those who have learned to lie, cheat or even kill when told to do so, the future is very likely to have lots of ‘feeling great’ in it. In disregard of the outside consequences they will do as they are told in order to receive credits, which they will then hand back to what is in essence the same organisation, in exchange for more ‘feeling great’. They have met their target, they will do so again the next day.*** Analysis What we have here is a nice example of a ‘Circular Economy’. It is, alas, also a fair description of a large and extremely wasteful part of the ‘economy’ as we know it today. Be not fooled, ye who wish to learn and and acquire knowledge, into thinking that in order to understand our modern human ‘economy’ we need to learn about swaps, shorts, futures, mortgages,  theories of money and interest or any such contrivances. There is only human behaviour. Human behaviour is easily influenced. Many ways of influencing or ‘controlling’ human behaviour were invented over the years. Religion, blackmail, facebook, indoctrination, intimidation, government, taxes, centralisation of control over resources, schooling, newspapers, media in general, on and on, blahdiblah. As it happens, the most effective way to steer human behaviour so far has been the creation of the concept of money. Whether it actually exists or not, it (or the promise of it) does have a profound influence on an individual’s perception of the world, in a way very similar to the effects of cocaine. Such is its power that many  will give up much of what makes them human just to get it. Like cocaine, it will silence the conscience. Like cocaine, its ‘positive’ effects are temporary and individual. It’s less pleasant, negative effects however are more lasting and always shared. Conclusion Big money and cocaine today are pretty much synonymous. Together they  pretty much form a closed system: once you enter, no way out. These people then, no longer have room for logic, or sympathy, let alone empathy. No room for admitting they were wrong either. Why would they even want to? After all, they ‘feel great’. What now It’s no use debating an addict, nor a parrot taught but one word. This would seem to become especially problematic when these parrots are placed in ‘positions of power’. But, and this really is the bright side to this story, only for as long as we believe that ‘positions of power’ actually exist.  I’ve certainly never seen one. The closer you get, the less solid they appear. Like a mirage. Denying or fighting the existance of such ‘positions of power’ will not, of course, make them disappear. Acknowledging the fact that the basis for their existence lies within our own minds, on the other hand, may well be a logical first step in the direction of a less convoluted world. In the meantime, I say fuck this circular ‘economy’, it’s circular LIVING that matters and I will do so as best I can, with my neighbours here on ADM! Driekus is a long-time inhabitant of ADM. Mostly voluntary. His favorite saying is ‘Language speaks for itsself, no need to say anything’, though that changes by the day. To contact Driekus  you can call him, but he does not answer to anyone. **This clause, allowing only for the establishment of a large-scale shipyard,  represents a value in today’s currency of many tens of millions. Were this clause to be lifted (as has been tried), forgotten or distorted (as seems to be the current strategy), these millions would quickly flow to the owner/profiteers. If left intact, the profiteers will have no choice but to hand the ownership back to the city of Amsterdam, meaning they will have to settle for a much smaller profit of perhaps ten million or thereabout.  *** Disclaimer: Driekus is not advocating the use of money, drugs or politics to anyone. They are dangerous substances, especially so in the hands of professionals. Do NOT mix. Use extreme caution when handeling.